Archivering » WFON » 1946 » Pagina 157-168
Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 18e bundel, pagina 157-168.
Uitgave: Historisch Genootschap „Oud
West-Friesland”, 1946.
Auteur: J. Roselaar.
Ons bestuurslid H. Galis heeft een zekere dosis geluk gehad. Dat treft niet alle dagen! Om den geest
der illegaliteit te doorproeven, moet men zoo eenigszins mogelijk de bedrijvers zelf aan het woord
hooren! Hij kreeg een artikel toegezonden van Johannes Wiering pz, een veehouder, wonende aan den
Zwaagdijk onder Nibbixwoud, een der medewerkers aan het droppingsveld „Oliver”. In rond
Westfriesche dood-simpele taal geeft Johannes Wiering het verhaal van zijn werkzaamheid. We hebben ons
zoo verantwoordelijk gevoeld voor de klare zuivere kern van des schrijvers verhaal, dat we het relaas
niet met litteraire franje hebben verfraaid of omweven.
Ziehier het verhaal.
Het was op een Zondagmiddag, eenige dagen na de Dolle Dinsdag in September 1944, dat Klaas Snip van
de Rijweg bij ons de keuken binnenstapte en plaats nam aan de tafel. Na een klein praatje over 't weer
deelde Klaas mee, dat alhier een groepje mannen was, dat het plan opgevat had de ondergrondsche beweging
te steunen, door de mannen uit deze beweging te helpen voorzien van wapens en munitie. Deze zaken werden
per vliegmachine gebracht, vertelde Klaas, en wij moeten, zei hij, dan zorgen voor de ontvangst,
tijdelijke opberging en voor de verzending.
Het land van Arie Galis, mee aan de Zwaagdijk, in m'n buurt, achter de Weel, is een mooi groot en heel
breed stuk land, dat voor 't doel goedgekeurd is. We mogen in de boet van Arie, die achter z'n huis
staat, de zaak tijdelijk onder dak brengen en nou kom ik vragen of jij ook meehelpen wil aan dat karweitje.
Het is natuurlijk nachtwerk en er zit wat risico aan, maar wanneer je op mekaar aan kunt, dan zeilt 'et
wel!
Verder delde Klaas mee, dat Arie Galis met z'n twee jongens, Willem en Arie, en Kees Schouten van Johannes,
benevens Jaring Sierkstra en Joh. Groot en nog een stuk of wat vreemden, doch goed vertrouwde lui, ook
meededen. Na wat beraad besloot ik ook mee te doen en toen kwam m'n inwonende knecht, Simon Heusman
er ook bij. We besloten nu Maandagavond, dat was de volgende avond, in klein comité bij mij in
de keuken een vergadering te houden, om deze zaak in klein verband nog eens onder de ogen te zien. Toen
we alles dien avond nog eens nauwkeurig aan alle kanten hadden bekeken, werd definitief besloten mee
te werken. Hierop volgde een nieuw besluit, de volgende Maandagavond een groote vergadering te houden
met al onze medewerkers en deze plaats te laten hebben in de boet van Galis, de bewuste schuur, die we
voor dit werk gebruiken zouden. Tijd van samenkomst werd bepaald op 's avonds te negen uur.
Maandag-avond, Simon en ik – we waren al niet al te vroeg – naar buur Arie's schuur! De
deur was vast, doch op m'n geklop werden we binnengelaten, de deur werd terstond achter ons gesloten.
In die boet, dat was wel een eigenaardig gezicht. Dat maakte niet een aangename indruk! Daar werd je
eerst koud van! In 'et midden van de boet stond een brandende kaars op een aardappelenkist en daar om
heen zaten op kratten een stuk of wat mannen, waarvan twee elk met een revolver in de hand! Later viel
dat niet meer op en kreeg ik zelf ook zoo'n ding. Al de boven al genoemde personen waren aanwezig,
benevens vier vreemdelingen. Dit bleken te zijn Arend Leeuw, timmerman te Zwaag, met zijn drie zoons.
Klaas Snip, zoogenaamd Lange Klaas of de Lange, verwelkomde ons en begon te vertellen, dat al heel
spoedig de vliegmachines werden verwacht en dan moesten we present wezen! De komst van de vliegmachine
werd bericht door de radio, 's middags te half twee. Hij beloofde het ons terstond te laten weten,
zoodra het doorkwam. Hij drong erg aan op onze zwijgzaamheid. Eén ondoordacht woord of gezegde
over het geval en we hangen allemaal, zei hij. Iemand die praat of kletst over onze zaak, het maakt
niet uit wie het is, wordt bij ontdekking door ons terstond doodgeschoten. Dus het was met recht: hooren,
zien en zwijgen!
De vliegmachine kon komen des avonds tussen 8 of 10, tusschen 10 en 12 of anders van 12 tot 2 uur.
Na eenige dagen kregen we bericht, dat dien avond de vliegmachine zou verschijnen. We waren alom half
acht op het vliegveld1). Het paard stond met de
tuigen op stal en de wagen stond klaar achter 't huis. De seinlampen werden uitgezet. Het was een
donkere regenachtige avond met stevige Westenwind, zoodat de lampen werden geplaatst in de richting
Noord-Zuid, in één rechte lijn. Deze lampen werden in kuilen in de grond gezet, zoodat
het licht vanuit de hoogte wel, doch vanaf de begane grond niet zichtbaar was. De buitenlampen gaven
een geelachtig licht en de lamp in het midden een helder wit licht. Klaas stond met zijn groote
electrische lantaarn in het midden van het veld, naast de witlichtgevende lantaarn, om hiermede de
noodige seinen te geven. Wij werden geplaatst aan de buitenkanten van het veld, om waar te nemen of
er niets iets bezijden zou neerkomen. Op het vliegveld zelf zouden wij het wel vinden, doch daar buiten
zouden wij het niet zoeken, werd het door anderen gevonden en kwam het zoo in verkeerde handen, dan
zou dit voor ons zeer funest kunnen zijn. Het was dus voor ons grensbewakers opletten! Goed luisteren,
want zien kon men het niet, het was pikdonker. Ons terrein werd van verre bewaakt door vier politiemannen
en wel, één stond bij het P.E.N.huis bij de Rijweg, één op de viersprong
Rijweg-Zwaag-Dracht-Oudijk; één op de driesprong Oudijk-Groote- en Kleine Boekert
(Heidensche Kerkhof) en de vierde aan den Zwaagdijk, een vierhonderd meter bezuiden den straatweg naar
Hauwert. Zoodra van buitenaf voor dit ingesloten vierkant gevaar dreigde, werd dit terstond door
lichtseinen gemeld.
De eerste avond, alles was netjes geregeld en wij staan daar in regen en wind, vanaf omstreeks half
acht tot bijna half drie. Vol verwachting klopte in het begin van de avond ons hart, doch om half drie
was onze stemming beneden nul en gingen wij gelijk kletsnatte poedels naar huis. Dat was een droeve
teleurstelling en dit gebeurde niet éénmaal, doch zes keeren achter elkaar. Jongens wat
werd er toen gemopperd! Er waren er al die zeiden „wij komen hier nooit meer!” Doch ziet,
den zevenden avond, wij waren allen present weer, het was inmiddels al 21 October geworden, toen werd
het beter. Het was een pikdonkere avond, met een stevigen Westenwind. Alles was weer klaar voor de
ontvangst. Precies te elf uur hoorden wij een zwaren bommenwerper aankomen. Hij scheerde prachtig over
ons vliegveld, netjes over het witte licht en verdween toen in de richting Enkhuizen, doch na een poos
kwam hij weder aan de Zuid-Oost kant van ons vliegveld opduiken.
Toen hij in Zuid-Oostelijke richting ons veld passeerde, gaf Klaas het afgesproken lichtsein en dit
werd vanuit de machine beantwoord, zoodat wij wisten, dat hij ons en wij hem begrepen hadden. De machine
maakte een zwaai naar het Zuiden en even daarna kwam hij weder op ons aan. Prachtig, recht midden op
het veld en toen hij daar boven was, gingen de kleppen open van de vliegmachine en in één
plof vielen daar 28 parachutes met hun last naar beneden.
Nu kwam het werk pas uit. Twee onzer gaan paard en wagen halen. De rest pakt de parachutes aan. Eerst
den hoed er af, de parachutes ingerold en los van hun last gemaakt. Op de wagen een gedeelte geladen
en gebracht naar de schuur van Galis. Hier gelost in de schuur en de wagen gaat weer om een nieuwe
vracht. In de schuur worden de parachutes voor1oopig opzij gegooid en de daaraan vervoerde ijzeren
bussen (containers) van hun inhoud ontdaan. De inhoud der bussen wordt netjes opgestapeld en nauwkeurig
genoteerd. Na een keer of vijf rijden is deze eerste zending binnen en wordt geconstateerd dat is
ontvangen munitie, revolvers, manchestergeweren, antitankgranaten, machinegeweren, handgranaten, benevens
3 pakketten bevattende sigaretten, shag, koffie, thee en eenig cornedbeaf. Dit laatste is een kleine
belooning voor de werkers. Voor elk een kleine portie.
De wapenen en munitie worden netjes opgestapeld en zorgvuldig toegedekt. De parachutes in de daarvoor
aanwezige zakjes gerold. Dit is een heksentoer. De zakjes zijn klein, precies pas voor hunne bestemming,
het is een reuzenarbeid de valschermen daarin te werken. Ingepakt in zakjes worden ze geborgen onder
de vloer bij de familie Wiering. De ijzeren emballage wordt per schuit naar de Weel (een waterplas in
de buurt) vervoerd en daarin geworpen. Eerst bleven enkele bussen drijven, doch langzamerhand verdwenen
allen in de diepte.
Bij het ontvangen dezer goederen op het vliegveld moest angstvallig worden gewaakt, dat het geven der
seinen niet vanaf de kant van Hoorn zichtbaar was, daar de Duitsche post op den Watertoren een gevaar
was voor dit werk. Afstand hemelsbreedte plusminus 4 à 5 kilometer.
Nu het werk alles besteld was, konden we spoedig droge kleren aantrekken en naar bed gaan.
Den volgenden avond worden de wapenen en munitie uit de schuur gehaald en bij vrachten gereden over
het land van Wiering naar de van ouds bekende rivier van West-Friesland „De Kromme Leek”.
Hier ligt een schuit gereed. De waren worden er netjes ingestapeld en gecamoufleerd met turf, welke
voor dit doel terplaatse gebracht was. De geschiedenis herhaalt zich, denk aan het turfschip van Breda.
Den volgenden morgen, wanneer het even begint te dagen, komt Joh. Baas van Hauwert en brengt dit
vrachtje door de schutsluizen van Medemblik de Wieringermeer in en vandaar wordt het gezonden naar de
plaats van bestemming.
Dit moet nog even worden vermeld. De bovenbedoelde bommenwerper, welke deze eerste vracht heeft gebracht,
is op zijn thuisreis door een Duitsche jager neergeschoten en de piloot is hierbij omgekomen. In het
begin van deze transporten had men zeer veel hinder van deze bij de moffen in gebruik zijnde jagers.
Later zag men ze niet meer.
Op bovenomschreven wijze kregen wij alhier acht vrachten binnen. De een slaagde natuurlijk beter dan
de ander, doch het is hoe of het soms ook gegaan is, ten slotte goed geslaagd en daar ging het toch om.
Zooals ik boven gezegd heb, de eerste vracht bestond uit 28 parachutes. Dit was de grootste vracht,
doch wat het bijzondere hiervan was, is dit, niet twee parachutes waren aan elkaar gelijk van kleur.
Dit is niet meer voorgekomen. Als regel kwamen er 26 met één vracht, doch eenmaal slechts
18.
Het was op een avond in December 1944. Bericht was ingekomen dat er weer een vliegmachine zou komen.
Erg waren wij voor dien avond niet op bezoek gesteld, want het was slecht koud weer en er lag sneeuw
en ijs. Dit ijs was echter nog niet voldoende sterk om een man te dragen. De vliegmachine komt, werpt
zijn last uit, doch niet op ons vliegveld, doch ver daar buiten, op drie perceelen weiland, veel dichter
gelegen bij den Oudijk dan bij den Zwaagdijk. Dit was een strop. Gelukkig was het door de sneeuw niet
pikdonker en konden wij een stukje heen zien. Doch hoe die rommel nu alles thuis te krijgen? Dat was
geen kleinigheid. Ten slotte besloten wij ladders en touwen te halen, de parachutes en containers hier
op te laden en dan de slootjes langs over het ijs slepende naar de schuur van Galis. Maar dat was wat!
Wat een werk! Wanneer een gedeelte op de ladders was geladen, dan moest alles op het ijs gebracht. Dit
moest zeer voorzichtig geschieden, anders kieperde het zaakje er door heen. Was zulk een stelletje nu
eenmaal goed en wel op het ijs, dan werden de touwen aan de ladders bevestigd en het geheel daarna door
twee personen, aan elke kant van de sloot één opgesleept naar de schuur. Doordat onze
touwen echter te kort waren, moesten wij in den onderwal loopen. Het land is aldaar hoog en zulk een
onderwal zeer ongelijk, zoodat dan de één en daarna weer de ander struikelde en groote
kans maakte op het ijs terecht te komen en een nat pak te halen. Bijna den geheelen nacht zijn wij met
dit spul bezig geweest. Wij waren bijna klaar, toen tot overmaat van ramp van het vliegveld Venhuizen
een wagen vol wapens en munitie werd gebracht, ter verdere verzending. Deze wagen vol kon niet meer
geborgen worden in de schuur van Galis, waarom deze toen terstond werd gelost in een schuur van mij
en ook hier goed geborgen onder turfbalen en stroo. Tegen de morgen waren wij klaar en begon het werk
weder op de boerderij. Wat een nacht van verwikkelingen en zorgen!
Zoo hebben wij eenige vrachten gehad van het vliegveld Venhuizen, één vracht van Wijdenes
en één idem van Spierdijk.
In zekeren nacht kwamen twee vrachten bij ons aan. Twee schuiten lagen in de Leek klaar voor het vervoer
dezer beide vrachten. De volgende avond hebben wij de vracht uit de schuur van Galis gehaald,
niettegenstaande sneeuwen ijs, gebracht naar de schuit, aldaar ingeladen en zorgvuldig toegedekt. Het
stond naar dooiweer en wanneer het best dooide kon de gehele zaak spoedig weg. Nu heeft het dien nacht
dan ook best gedooid, doch er kwam een donderbui en deze loste zooveel water, dat de geladen schuit
den volgenden morgen, naar de eisch van den tijd, was ondergedoken. Dat was weer een ander geval. Wij
met onze mannen naar de schuit. Deze gelost en haar weer boven water gehaald. De inhoud lag weer op de
wal. Toen wij aan het lossen waren, kwam daar een belendend landeigenaar van Hauwert aan de Leek en
zag ons daar madderen. Hij, natuurlijk nieuwsgierig, zei: „wel joons wat hej jellui deer?”
Eén onzer gaf een prompt antwoord. „Ja joon,” zei ie, „dat is alles
zuurkool.” Hij bleef een poosje staan, nam de zaak wat op en daar wij verder ons niet meer met
hem bemoeiden, droop hij af. Of hij ons antwoord geloofd heeft, betwijfel ik sterk, doch ik heb over
ons in dit geval nooit hooren praten.
Toen de schuit weer boven water was, hebben wij de gehele zaak er weer netjes ingesteld en toegedekt.
Erg hoopten wij dat de dooi door zou gaan, want dan kon den komend en morgen deze vracht vertrekken,
doch de dooi ging niet door, tegen de avond helderde de lucht op en begon het weer flink te vriezen.
Dit spul had nu al een dag of drie in de schuit gelegen. Inmiddels was de vorst al aardig doorgegaan
en het ijs in de Leek werd sterk. Het was Zondagmiddag en dat spul daar aan de Leek zat mij telkens in
mijn hoofd. Over een paar dagen kwamen de schaatsenrijders er langs, ze moesten natuurlijk de schuit
zien en zouden zeer zeker onderzoeken wat er in geborgen zat. Werd dit eenmaal ontdekt, hetzij door
vriend of vijand, dan was het met ons mis. Het liet mij de gehele Zondag niet los, zoodat ik ten slotte
besloot de schuit te lossen. Ik met de warme pankoek naar buurman Galis en toen ik hem de zaak vertelde
en wees op het groote gevaar, toen vond hij het ook wel niet leuk, nu weer de gehele Zondagavond daar
aan het werk te gaan, doch hij begreep ook dat het moest voor onze eigen veiligheid en die der anderen.
Om ongeveer zeven uur kwam dan ook Galis met zijn beide zoons en Simon, mijn knecht, en ik, zoo gaan
wij dan met ons vijven, gewapend met schoppen, bijlen, bezems en balen stroo naar de Leek. Eerst op
het land een plaatsje sneeuw opgeruimd daar een laagje stroo opgespreid, al het materiaal uit de schuit
gehaald, mooi opgestapeld op de met stroo belegde plek, toen toegedekt met sneeuw. Er was onder ons
werk al een paar malen een sneeuwbuitje geweest, doch nu met het naar huis gaan, kwam er een heel dikke
bui, zoodatwij onder de sneeuw, tegen twaalf uur middernacht weer thuiskwamen. Nu waren wij rustig en
na het gebruik van een lekker kopje koffie gingen wij allen lekker naar bed.
Den volgenden morgen moest ik eens gauw naar de Leek om te zien hoe het er daar uit zag. Ik keek mijn
ogen uit. De hoop was precies een aardappelen- of bietenkuil, onder een prachtig sneeuwkleed afgedekt.
Niets wees er op dat deze hoop daar deze nacht was geplaatst, doch gaf volop den schijn van er al enkele
weken te hebben gelegen.
Na een dag of drie dooide het weer best en wij allen te samen weer aan het werk. Eerst de schuiten
schoongemaakt. Toen het materiaal uit de kuil in ééne schuit. Verder met paard en wagen
de spullen uit mijn schuur gehaald en opgestapeld in de tweede schuit. Beide schuiten werden weer
netjes toegedekt en de volgende morgen vroeg bracht Pieter Dudink, van den Zwaagdijk bij de Tolweg,
per motorschuit deze zending weer naar de Wieringermeer.
Het was een pak van ons hart, dat dit zaakje eindelijk weg was. In die dagen werden wij overstroomd
door, Amsterdammers, die op pad waren om levensmiddelen. Niet zelden gebeurde het dat wij een, man of
tien, twaalf te slapen hadden. Deze menschen sliepen dan op de koegang in wat hooi, doch daardoor waren
wij niet vrij in ons doen en laten en dan vaak die moffensoldaten om je beenen, die alles afzochten
en alles konden gebruiken, die maakten er ons leven ook niet rustiger op.
Eens op een morgen stonden hier bij ons in de keuken weder vier moffen. Onder deze vloer, waarop die
moffen stonden, was het volgepropt met parachutes, machinegeweren, geweren, revolvers, enz. Dat hadden
zij moeten weten dat zij maar enkele centimeters van zulk een prachtige buit verwijderd waren!
Wanneer men in zulk werk zit en het verloop is steeds zonder stoornis, dan wordt men steeds brutaler
en u weet het ook wel, de brutalen hebben de wereld. Zoo ging Piet Dudink, voornoemd, dit voorjaar met
een volgeladen schuit met munitie enz., enkel en alleen toegedekt met een kleed naar de Wieringermeer.
In de schutsluizen te Medemblik kwam hij tusschen vier moffenschuiten in te liggen. Piet gaat rustig
op de kant van zijn schuit zitten, rolt zijn sigaretje en rookt dat smakelijk op, alsof er geen wolkje
aan de hemel was. Het kwam gelukkig weer goed af, Piet kwam ongedeerd weer thuis.
Op een goeden avond, het was om en bij Sint Nicolaas, zal er weer een vliegmachine komen. Lange Klaas
heeft voor deze gelegenheid wat koek en chocolade meegenomen, doch nu juist bij deze gelegenheid, waarbij
wij geen vreemden konden gebruiken, nu komt daar juist een hooge Piet van onze ondergrondsche beweging,
welke mijnheer ons vertelde dat zijn vrouw, die in Engeland zat, hedenavond met de vliegmachine, welke
hier zijn last zou uitwerpen, een cadeau aan hem zal zenden. Wij vonden dat heelemaal niet leuk en de
tractatie werd uitgesteld, doch tenslotte was Klaas er mee aan en begon te tracteeren. Wij hebben toen
een leuke avond gehad.
Onze mannen, gedachtig aan bovenaangehaald spreekwoord van de brutalen hebben de wereld, werden dan
ook steeds brutaler, want op Zaterdag 31 Maart 1945 losten de wagens van Venhuizen, op klaarlichten
dag, hun vracht in de schuit van Pieter bij de overhaal bij de Ark aan den Zwaagdijk. Men heeft er voor
gewaarschuwd, dat dit stukje toch wat al te riskant was, want na dien keer is het niet meer voorgekomen.
Zaterdag 14 April 1945 kregen wij de laatste vracht. Maar deze deed de deur dicht, zullen wij zeggen.
Jongens wat was dat een bereddering! Er stond dien avond een stevige Zuidenwind. De gewoonte is, dat
men lost tegen den wind in. Doch deze piloot deed het anders, die loste precies voor den wind af. Net
boven ons vliegveld gingen de kleppen open en dat is te begrijpen, niet één parachute
kwam op ons veld terecht. Eén parachute hing bij Arie Galis in een hoogen boom, 3 of 4 zaten
vast in de boomen van de boomgaard en één lag boven op de schoorsteen van Arie's boerderij.
Het spul was wel zeer dicht bij de schuur van Galis, waarin het geborgen moest worden, doch het kostte
bergen moeite om het daar te krijgen. Eén van de valschermen klapte tegen de koemuur van de
boerderij van Jan Schouten Czn. Dit gaf een slag alsof er een bom omlaag kwam. Eén kwam bij
buurman Beers op diens bouw terecht. Deze is er den geheelen dag blijven liggen en is Zondagavond eerst
gehaald. Nog weer een ander kwam terecht bij Piet Schouten op de bouw. Deze wilde het ding juist in
huis loodsen, toen Lange Klaas, die op de fiets passeerde er een tipje van zag en er voor zorgde dat
zij ter bestemde plaatse kwam. Bij W. Hoogland in de tuin lagen er drie en bij Kunst in de tuin
één. Dit zijn allebei onze buren en deze menschen sliepen zoo vast, dat zij er totaal
niets van hebben gemerkt, dat wij ze hebben weggehaald.
Dat was wat, om dat spul op tijd binnen te krijgen! Wij moesten natuurlijk in de boomen. Alles zat
vast in de takken. Wij sneden de containers los en scheurden daarna de parachutes uit de takken weg.
De valschermen waren er natuurlijk mee vernield, doch daar was niets aan te doen. Die ééne
van de schoorsteen van Galis te halen, dat was je ook wat. Met een paar man op het dak wisten wij haar
van de schoorsteen te lichten. Wij lieten haar toen langs het rieten dak glijden en meenden haar zoo
op den grond te laten vallen, doch ziet, daar bleef een haak van de container aan de dakgoot hangen.
Gelukkig zat deze goot best vast. Eerst dreigde het wel dat alles met hutje en mutje naar beneden zou
komen, want hij boog geweldig, toch werd de vracht getrotseerd en wij, met inspanning van al onze
krachten wisten de parachute even omhoog te krijgen, de haak los te wringen en het zaakje kwam zoo
toch heel en behouden op den grond.
Drie containers waren leeg en de inhoud van deze moest in wijden omtrek worden „opgezweeld”.
Dit is ook wat fraais hoor! Hier en daar ligt wat, doch om alles te krijgen is een kunst en het is ook
niet gelukt. Het was natuurlijk tamelijk duister, dus als men iets bijzonders vermoedde te zien, dan
was het met de handen erbij en voelen wat het was. Op een gegeven moment roept er één
onzer: „ha, kijk jongens, hier ligt een heele hoop.” Hij vermoedde van een hoop patronen
natuurlijk. Hij met de handen erbij. Mits toen hij dit zei, hoorden wij hem plotseling roepen: „Barst,
het is een koehoop.” Wij hadden niet de rechte zin om te lachen. Toch hadden wij in al onze
narigheid nog pret.
Zoo was er ook een container, waarvan de parachute niet open was gegaan, deze was een stuk den grond
ingeploft. Ook dit leverde weer aardig wat werk op. Wij moesten de zaak geheel uitgraven. Dit alles bij
elkander, deze laatste vracht was een bewegelijk geval.
Tegen de morgen meenden wij dat alles netjes geborgen was. Onze buren sliepen allen nog, niet
één had van ons gesjouw wat gemerkt. Wij loopen te omstreeks kwart voor zeven uur de
werf van Galis af, de poort uit en zien daar vlak bij, in de sloot voor het renteniershuis van buurman
Schouten, een parachute. Terstond moesten weer de handen uit de mouwen. En dat was goed ook, want wij
hebben deze parachute net met de melksnor weggevoerd en zie, nog geen drie minuten daarna, daar passeeren
twee moffenauto's. Dat is op het kantje af, zeiden wij tegen elkaar. Ja, jongens zoo gaat het! Wij hadden
tegenslag met het binnenhalen, doch nu hebben wij toch een bof, dat wij zoo mooi op tijd klaar zijn.
Eenmaal hebben wij ons materiaal per as naar de Wieringermeer vervoerd, namelijk met twee auto's met
moffencamouflage, doch dit is niet erg bevallen. In Nibbixwoud kregen wij al pech. Een gebroken as.
Het inladen was al niet zonder gevaar geweest, namelijk achter het bosje naast ons huis. Dit is zeer
nabij de openbare weg. Het minste verdachte geluid is terstond op straat verneembaar, zoodat deze plaats
niet erg was aan te bevelen, maar autopech midden op de openbare straat was ook niet watje noemt! We
hebben het zoo dan ook maar niet meer gedaan!
Toen wij daar in Nibbixwoud aan de auto waren te stellen, het was lichte maan, kwam er zoo nu en dan
een gezicht achter het sluitgordijn omgluren, doch toen zij ons zagen, in Duitsche uniform, keken zij
ons voor Moffen aan en werd geen sluitgordijn meer opgelicht.
Of onze buren erg vast slapen, of dat wij al bijzonder stil hebben gedaan, weet ik natuurlijk niet,
doch bemerkt van ons nachtwerk hebben zij niets, zoodat, toen de capitulatiedag daar was en de parachutes
buiten kwamen allen hun oogen uitkeken. Aan zoo iets hadden zij nooit gedacht.
Eén dezer buren – het was winter en hij had daardoor weinig werk –, kwam geregeld
twee- à driemaal daags bij mij aan huis een praatje maken. Dit buurpraatje had ook vaak des
avonds plaats. Wanneer wij nu onze werkavond hadden, dat wil zeggen, dat de vliegmachine zou komen,
dan zat dat heer mij soms duchtig in de weg, totdat hij eindelijk met de één of andere
smoes moest worden weggewerkt. Mijn smoezen sloeg niet altijd even goed in. Hij ging er niet altijd
mee af en dan zeide hij zoo bij zijn neus langs: „moet er van eivund weer wat beure ?Moet er
soms een toetje achterover drukt worre?” Op dit gezegde ging ik natuurlijk niet in, hij smeerde
hem en wij kregen onze handen vrij en konden met ons werk beginnen. Wanneer een ieder zich ter ruste
begaf en in die lichtlooze avonden gebeurde dit regelmatig zeer vroeg, dan togen wij de nacht in. Een
nacht van sneeuw en ijs of regen en wind. Doch wij mopperden niet, wanneer alles weer naar wensch was
verloopen en gegaan zooals het moest, dan waren wij dankbaar en blij. Dankbaar en blij, omdat wij
aanvoelden, dat wij weder iets hadden gedaan in het belang van ons Vaderland en Volk; omdat wij allen
aanvoelden, dat ook wij iets presteerden en medehielpen aan de bevrijding van ons dierbaar Vaderland
en de verdrijving van dien gehaten mof. Dat voelden wij allen en dat wilden wij allen en juist
omdat wij allen zoo eensgezind waren, zoo ambitieus waren voor dit ééne en zelfde doel,
zoo bestond er geen gelegenheid voor mopperen of kankeren. Allen deden hun best en gaven zich geheel
voor de volle 100%. Woorden tegen en over elkander hebben wij nooit gehad. Wij werden een groepje groote
vrienden, ook al waren wij in godsdienst niet gelijk. Elk was zich van de ernst van de zaak bewust.
Gepraat of gekletst tegen lieden die buiten onze zaak stonden, is door niet één onzer
ooit gedaan. Wij allen wisten zeer goed dat dat niet ging.
Vader en moeder Heusman wisten niet wat Simon (mijn knecht) 's nachts uitkuurde, daar werd door
Simon thuis nooit over gepraat. Een uitzondering, wat betreft het een en ander eens in familiekring te
bepraten, maakte hierin echter de familie Leeuw van Zwaag. Vader en moeder Leeuw waren met hun drie
zonen ondergedoken, zaten allen mede in onze club en deze konden natuurlijk alles onder en met elkaar
bepraten.
Vader Leeuw was onze vader. Hij durfde alles, doch was bijzonder voorzichtig en secuur. Hij was er altijd
bij. Hij hield ons nooit ergens van terug, doch voordat het plan werd uitgevoerd, was het van alle kanten
bekeken en besproken en wist elk onzer wat hij doen of laten moest. Alles gebeurde, precies volgens het
vastgestelde plan. Vader Leeuw was voor ons gelijk een vader, vol zorgen en medeleven met ons allen.
Dat voelden wij allen aan en wij lieten ons dan ook deze bijzondere sympathieke zorg en leiding van
hem gaarne welgevallen.
Dit, schreef ons bestuurslid Galis, was wat de heer Wiering vertelde van het werk der illegaliteit en
de hulp ter bevrijding van den moffendruk.
Zij die den Heer Wiering kennen, zullen weten hoe zijn mededeelingen zijn gedaan. Eenvoudig en daags,
zonder grootdoenerij of bluf.
Dit werk is door hen allen aangevoeld als een plicht en alzoo plichtmatig uitgevoerd. Hier is niet
gewerkt om geld, om roem, om naam of wat ook. Hier zijn daden verricht met vele gevaren, doch bij
allen stond het vast, „wij moeten helpen, het moet gebeuren.”
Hulde, hulde, hulde aan deze eenvoudige, doch hoogstaande menschen.
Wij meenen aan een en ander niets te moeten toevoegen. De geschiedenis van het Westfriesche illegale
werk behoort te worden geschreven. Die een gedeelte te boek kan stellen, behoort dat te doen. Dat is
hij aan ons, Westfriezen, verschuldigd.