Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » WFON » 1940 » Pagina 110-111

Andijkers vóór 1700 (1/6)

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 15e bundel, pagina 110-123.
Uitgave: Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland', 1940.
Auteur: P. Kistemaker.

Het eerste begin tot 1667.

Andijkers vóór 1700.
Wáren die er wel? Andijk is toch pas in 1812 een zelfstandige gemeente geworden onder Fransch bestuur (Departement van de Zuyder Zee) met een eigen burgemeester, die toen „maire” heette! Maar daarvóór ? 't Zal toch wel, want op „Buurtjeskerk” staat met ijzeren cijfers 1667, Dus toen woonden hier ook al menschen, anders hoefden ze hier geen kerk te bouwen.
Hoelang zouden hier al menschen gewoond hebben? De Kelten soms al? Zijn hier Romeinsche soldaten geweest? Of Noormannen? Was dit land vroeger wel bewoonbaar? Aan wie behoorde toen dit land....? Is er iets wáár van de sage, dat Wervershoof eigenlijk „Werenfridushoeve” beteekent? Woonde daar dan een ridder op een zaalhoeve? En de „Kagebos”? Is dat dezelfde als de Heer Huigenkoog of -kogge? Behoorde die aan dezelfde Hugo als Heer Hugowaard? Welke Hugo was dat?

Zie, dat zijn menigerlei vragen, waarop wij het juiste antwoord moeten schuldig blijven. We weten zoo weinig. We kunnen voor de oudste tijden slechts afgaan op gissingen naar de beteekenis van oude namen als Kleingouw, Munnekei, Kadijk, Ouwe wal, Nijedik, Heuvelingesloot, Popelingesloot, e. d., die ons iets duidelijk maken van den toestand, waarin het land zich bij die naamgeving bevond.
Andijk, d.i. aan den dijk, den buitendijk, den Noorderdijk, waarnaar wij Noordikkers heeten. Hoelang zou die dijk daar al gelegen hebben? In 1287 wordt gemeld, dat de zeedijken in West-Vrieslandt doorgebroken waren, wat voor Floris V een welkome gelegenheid was om de weerspannige West-Vriezen, die altijd weer tegen Holland rebelleerden, en nu op vluchtheuvels gevangen zaten, ééns en voorgoed te onderwerpen. Hij zond er Dirk van Brederode met schuiten en schepen op af, die bij Wijdenes door de doorbraak voeren en zoo de opstandigen onderwierpen. Dat was dus bij den Zuiderdijk. In 1319 wordt de Noorderdijk voor het eerst genoemd in een verstoelingsbrief. Het onderhoud van dien dijk was toen nog particulier werk, d.w.z. de ingelanden werden bij hoefslag aangewezen hun deel van den dijk in goeden staat te houden of de breuken te herstellen. Zooveel paarden als ieder bezat, zooveel lengten dijk moest hij (met zijn onderhoorigen) onderhouden. Dat dit tot veel twist aanleiding gaf, is zonder meer duidelijk. Om die onderlinge twisten te verzoenen, werden „vredemakers” benoemd. De dijk was veel lager dan nu en bezat ook geen steenglooiïng, maar een wierriem (van geperst zeewier) en paalwerk (stevig geschoord). De dijk brak herhaaldelijk door, bijv. in 1512, 1518, 1530, 1551, 1570 enz. Op plaatsen, waar door de vele doorbraken de dijk te zwak werd, om de steeds sterkere vloeden te keeren, werd dan een „inlage” gemaakt. De dijk van den Bakkershoek tot den Molenhoek (nu de „Slapersdijk” van den Proefpolder ) is zulk een „inlage”.

Mede door het dure onderhoud van den zeedijk liet men betrekkelijk veel land buiten den dijk liggen, dat natuurlijk iederen winter ondervloeide en in waarde achteruitging. Daarom werd in 1448 bij handvest bepaald, dat het buitenland „bezomerkaad” moest worden. Zoo lag er in 1513 nog een poldertje van 80 morgen, „de groote Nesse”, tusschen den Kathoek en „Reinoort” (thans den Middenweg).
Zulke zomerkaden lagen er binnendijks ook. De landeigenaren lieten die leggen om het ondervloeien van hun land te voorkomen, want met de bemaling was het toentertijd treurig gesteld. Het zeewater, dat bij een doorbraak binnenkwam, bleef staan, tot het bij een gunstigen wind weer gespuid kon worden door de „tije-sluisjes” (treksluisjes), die hier en daar in den buitenlijk gemaakt waren. In 1916 is er zoo één gevonden in den Kathoek, d.w.z. aan 't Oosteind van 't Kleingouw. Het is duidelijk, dat dit natte land alleen tot grasland nut was, hoewel er ook van „zaadland” gesproken. wordt en er waarschijnlijk ook wel enkele „coolthuijnen” en boomgaarden (vgl. bongaert) gevonden werden, meest in 't westelijk deel van Andijk.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.