Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » WFON » 1940 » Pagina 85-91

Grepen uit West-Friesland's verleden

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 15e bundel, pagina 85-91.
Uitgave: Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland', 1940.
Auteur: J. Roselaar.

Het is wel een gemeenplaats, als men gaat zeggen, dat ieder mensch is het kind van zijn eigen tijd. Elk geslacht, onverschillig wanneer het geboren werd, zag in den tijd, waarin het leefde, een norm, de meeste zich voordoende verhoudingen en verschijnselen kwamen het voor als zonder veel commentaar aannemelijk, anders gezegd, als vanzelfsprekend. Zoo is het voor ons kinderen van heden, vanzelfsprekend, dat degene, die zich vergrijpt aan zijn medemensch en hem vermoordt, wordt gestraft met een zeer lange periode van verwijdering uit de samenleving. Dergelijke handeling toch kennen we als moord, en onze deugdopvattingen nemen "vanzelfsprekend" den moordenaar zijn agressieve daad in hooge mate kwalijk.
Het zou een andere gemeenplaats zijn te zeggen, dat "de menschen" niet altijd zoo gedacht hebben. Er was een tijd, dat zeker koning zei: "De Staat? Ben ik....!" Met een variatie hierop konden onze voorvaderen zeggen, dat het recht "zij zelf" waren. Het was een zeer handige opvatting, want het stelde ieder in de gelegenheid, zijn medemensch, beleediger, rivaal, concurrent, zonder plichtplegingen te doen verdwijnen. Naar onze begrippen is zulks niet ordelijk. We zijn gesteld op ons fatsoen en ons gemak, deze beide zaken, fatsoen en gemak, maken inbreuk op onze vrijheid. Er is een bekend wijsgeer-economicus geweest, die zeide, dat "ieder individu zoo veel vrijheid behoorde te hebben als hij verkoos, mits hij geen inbreuk maakte op de gelijke vrijheid van anderen." Deze gelijke vrijheid was die onzer voorvaderen. In de oude dorpsgemeenschap der Westfriezen vóór het jaar 1288 - een keerpunt in de geschiedenis - bestond de vrijheid inderdaad, zooals we die hier afschilderen. De bewoners van de zuidelijke randen van het Kreilerbosch treden in het licht der historie als gevestigde boeren, die zich van elk gezag hadden weten vrij te houden. Hun "recht" lag nog in de windselen. Uit hun niet nader te ontsluieren verleden namen ze een zekere groep ongeschreven rechtsregels mee, die misschien van plaats tot plaats in details afweken, maar aan wier algemeene strekking toch een gemeenschappelijke afkomst zal zijn te herkennen geweest. Deze rechtsregels, een soort strekelijke "adat", zal later door de inwerkingen van zeker gezag zijn beïnvloed geworden. We kunnen daarbij de vraag stellen, of het recht der Romeinsche castra ook hier tot zekere hoogte gelding heeft gehad. De inlichtingen zijn zoo vaag! Hield het gezag van Julius Cesar op bij Vechten en Brittenburg? De kroniekschrijver verhaalt, dat de Friezen waren uitstekende ossenweiders, maar is de aanraking met het volk boven den Rijn een andere geweest dan die van handel? En nog verder; we mogen veronderstellen, dat Radboud vanuit zijn residentie Medemblik over deze streken eenig gezag uitoefende, maar in hoeverre veranderde dit gezag aan het geldende recht? En ook de groote Karel, die, man van omvangrijke energie, omstreeks 800 werkelijk diep ingreep in de maatschappelijke verhoudingen van dien tijd, deze groote Karel, heeft hij boven IJe en Almere gezag gehad? We weten ten naastebij de geheele rechtsbedeeling, zooals die gold in Charlemagne's rijk, we weten ook, hoe hij onder zijn gouwen rekende die genaamd Texla, Wiruna (Wieringen) en Westflinge, maar het is zoo uitermate moeilijk aan te toonen, dat het gezag van den koning ook boven het Almerewater tot gelding is gekomen. Zoo vele factoren hebben in dit donkere verleden op het recht ingewerkt, doch het is niet mogelijk, den omvang er van vast te stellen.
Dan komt als een nieuwigheid, met Floris V "en zijn gruwzaam zwaard", langzamerhand het geschreven recht! We worden ingelicht! De handvest van 1289 aan de Westfriezen verleend, geeft een verzameling rechtsregels, die we voor een belangrijk deel als nieuw moeten erkennen. De nieuwe regels wijzen herhaaldelijk op het ongeschreven recht, de "costuymen", terug. Maar pas vanaf dit moment maken we kennis met organen, die werden gebruikt in den toestel der rechtshandhaving. En tegelijk met deze "inval" van het geschreven recht komt in onze kronieken ook de kwestie van het "vrede maken" ter wereld.
Vanaf het eerste oogenblik, dat de nieuwe heer zich met het pas gewonnen gebied bemoeit, zien we hem op stevige wijze optreden tegen het in vele opzichten verderfelijke gewoonterecht en reeds gemeld handvest van 1289 geeft bepalingen, die tegen de vreeselijke consequenties van de bloedwraak trachten in te gaan. In bedoeld handvest toch wordt den grafelijken rechter de bevoegdheid gegeven, onder den grafelijken ban van 10 Hollandsch pond "vrede te gebieden", d.i. partijen die het met elkaar aan den stok hebben, te gebieden alle vijandelijkheden op te schorten en een bestand te treffen van 14 dagen, een termijn, die nog tweemaal met 14 dagen kan worden verlengd. Echter ook na het voormelde bestand kon de geboden vrede nog verder worden verlengd, en wel drie maal voor den tijd van een jaar en een dag. Partijen waren, als de rechter dat eischte, verplicht "vrede te nemen 1) en te geven" op verbeurte, bij weigering, van 10 Hollandsch pond 2). Men moest er "bij handslag" in toestemmen en de aldus gesloten "vrede" noemt men in aansluiting hierop gemeenlijk de "handvrede". Soms was, bij gebrek aan medewerking, de rechter verplicht, vrede op te leggen, men sprak dan van den "grafelijken", later "openbaren" vrede. Deze vrede werd, wanneer een of beide partijen zich daaraan zouden onttrekken door weg te loopen, met plechtig dingtaal "op hun dorpel gelegd", wij zouden zeggen : bij deurwaardersexploit beteekend! In Westfriesland echter schijnt dit verbreken in den beginne reeds te zijn gestraft met "verbeurte van lijf en goed". Men kan dezen maatregel zekere doortastendheid niet ontzeggen.
Uit bovenstaande valt af te leiden, dat het rechtsbewustzijn dus op dit tijdstip zoover schijnt te zijn gevorderd dat men, "doodslag in haastig opzet" begon te beschouwen als moord. Maar ook mindere vergrijpen tusschen personen gaven al evenzeer aanleiding tot eindelooze familieveeten en het "eigen rechter spelen" was nog in een paar eeuwen niet uitgeroeid. In alle gevallen van zich eigen recht verschaffen werden niet de daders van het vergrijp getroffen, doch, zede van den tijd en overigens geheel parallel aan de in deze alles leidende gedachtengangen 3), werden alle magen voor een boete, of een deel der boete, aansprakeljjk gesteld ("Maaggeld"). Men was elkanders borg. Pas onder Philips den Goede, in 1445 en naderhand in 1462 werden enkele "achteromsklompen" van de medeaansprakelijkheid voor de boeten van misdadige familieleden ontheven.
De rechtsvoorziening was na de onderwerping opgedragen aan schout en schepenen 4). De eerste was een ambtenaar van den graaf, tot het handhaven van het recht aangewezen, "stede houder van den heer", terwijl de anderen door dezen mede werden benoemd op voordracht van den schout. Schout en schepenen "geboden dus den vrede", en wel in het rechtsgebied, waar ze den graaf vertegenwoordigden. Waar echter dit rechtsgebied soms tamelijk groot was, werden op sommige plaatsen buiten het centrum een soort "hulpofficieren benoemd die voor den schout bij deze "uitpoorters" de politioneele macht uitoefenden. Zij waren de "vredemakers".
Op hun gebod aldus hadden twistende en elkaar belagende families hun vijandelijkheden te staken. Naar hun aanwijzen hadden ze zich te gedragen, tot de rechterlijke macht over hun geschil had beslist. Men kan hier het eerste stadium opmerken van de opkomst der z.g. civiele procedure. Verschil van meening werd niet meer met de vuist of het mes uitgevochten, doch na bevolen "vrede" aan den rechter voorgelegd ter regelende beslissing.

De gemaakte vrede omvatte mede, volgens Pols' Westfriesche Stadsrechten, ook de z.g. onschuldige magen, "die niet in vaerde en velde waren geweest". Deze konden uit den aard, als ze niet op de hoogte waren van den vrede, deze zelfs onschuldig breken. De tegenstelling is in latere handvesten genoemd. Die willens en wetens een vrede brak, verbeurde lijf en goed, die "eenen onnoesel vredebrake doet.... die sal dairin tegen ons verboeren X pondt." Ook de graad van bloedverwantschap gaf doorslag omtrent de hoegrootheid der te verbeuren boete, in Hoorn bracht het verbreken van een eerste lidsvrede 10 pond boete mee, van een achterkindvrede 20 pond, een zusterlings- of nadere vrede 30 pond. Op andere plaatsen was dit weer anders, er schijnen nauwelijks twee dorpen geweest te zijn, waar deze boeten hetzelfde geregeld waren.
Wij, twintigste-eeuwers die gewoon zijn voor een gemeenschappelijken kadi gesleept te worden, vragen ons af, hoe op een klein hoekje grond als dit een zoo enorme gedifferentieerdheid van het recht kon ontstaan. Een vraag stellen is haar hier beantwoorden. Westfriesland was een buitenbeentje. Elders in Nederland had elk hoekje grond zijn heer, zijn grootgrondbezitter, een kleine potentaat, die het uit de hand van een grooter heer, keizer, graaf of bisschop, in leen of cijnsplichtig bezit had ontvangen. Uitzondering waren in deze de toendertijd nog weinig volkrijke steden, die als kleine zichzelf besturende rechts-"enclaves" tusschen het feodaal bezit lagen ingedrongen. En uitzondering was ook het achterlijke "nog niet veroverde" Westelijke Friesland. Ginder was civilisatie, de nieuwe rechtsnorm, ondergeschiktheid aan den heer, daar was slechts een groep vrije en tot dusver onoverwinnelijke boeren, die in hun waterland elke duim gronds aan den heerschersgreep betwistten.
Toen Floris V eindelijk, als afsluiting van een tijdperk van tweehonderd jaar vechten en weer vechten, het land werkelijk onderworpen had, moest hij dit "heerloze" land, waar het typisch grootgrondbezit der ridderhoeven zich nooit had kunnen vestigen, een bestuur geven. De nieuwe "heer van Westfriesland" - zoo noemde zich Floris - wist niet beter te doen dan de dorpen denzelfden bestuursvorm te geven als elders de steden bezaten, en zoo zien we langzamerhand niet alleen het Westfriesche stadje Medemblik, maar ook de diverse dorpen "stadsrechten" krijgen.
Het wordt een stelsel van het stadsrechten "overpoten" van de eene plaats naar de ander. De handvest van Medemblik is het bijna woordelijk overgeschreven dito van Haarlem, dat inmiddels ook reeds naar Alkmaar was overgeplant geworden. In 1355 en 1356 krijgen ook respectievelijk Enkhuizen en Hoorn hun stadsrechten, het zijn die uit Medemblik. Maar in 1402 krijgt ook Schellinkhout, als moederdorp van de Westfriesche stadsrechtdorpen, haar handvest, dat met een geringe verandering eveneens uit de Medemblikker is overgeschreven. Ofschoon geplant van den eenen grond naar den anderen, wijken de bepalingen van het recht echter hier en daar af en ook de herhaalde keuren der opvolgende graven laten het steeds gevarieerder optreden. De strijd tusschen Philips en Jacoba, die dan volgt, en die, als bekend, in 1433, na het dramatische bestuur van de laatste, eindigt met de overwinning van den eerste, werkt dan weer een weinig centraliseerend, we zien de dorpen Zwaag, Wognum en die van de Veenhoop b.v. weer bij Hoorn voegen en de stede Broek wordt in die jaren vergroot met Hoogkarspel; Schellinkhout (reeds eerder) met Wijdenes. Een stadje als Hoorn kreeg echter met dit al een tamelijke uitgebreidheid, het aantal uitpoorters, "buitenpoorters" 5) nam zoodanig toe, dat de schout, des graaf's vertegenwoordiger, onmogelijk over allen het oog kon houden. Speciaal nu zien we den "vredemaker" optreden, die de rechten op de plaats van zijn inwoning had te helpen handhaven.
De "vredemaker" als gezegd, gebood den vrede, in naam van den graaf en steunend op den sterken arm van schout en schepenen, die uit den aard der zaak in de hoofdplaats der stede een oog in het zeil hielden. Zijn positie was waarschijnlijk die van een kleine politioneele dorpsautoriteit, geen veldwachter nog wel, maar toch iemand, dien men om zijn connecties met den hoogsten kadi, den graaf, te eerbiedigen en te vreezen had.
De vredemaker is naar mij voorkomt, de typisch speciaal Westfriesche figuur in de Nederlandsche rechtsgeschiedenis. Ook nog na de 16e eeuw treffen we zijn naam in onze kronieken aan, doch het oude karakter van zijn werkzaamheid, kijvende partijen van het plegen van "eigen recht" af te houden en tot bedachtzaamheid te dwingen, is dan verdwenen.

J. Roselaar.

In het laatst der 16e eeuw onderging de vorm van echtsbedeeling zoodanige wijziging, dat de "vredemakers" als vroeger werden uitgeschakeld. Toch bleef de functie van "vredemaker" voortbestaan, maar dan in eenigszins andere kwaliteit. Enkhuizen kende ze nog tot in het begin der 19de eeuw. De stad had geregeld twee vredemakers voor de banne Enkhuizen en Westeinde in dienst. Zij werden benoemd door Burgemeesteren telkens voor den tijd van twee jaren. Men zou ze kunnen kwalificeeren als de "Ontvangers" van het Landschot en ze waren rekening en verantwoording verschuldigd aan het College van "Burgemeesters en Landrijksten" (tegenwoordig Bestuur der Banne).
Hun kwaliteit blijkt duidelijk uit een aanteekening in het Resolutie boek van Burgemeesteren en Landrijken van 22 Febr. 1640.
"Alzoo Jacob Meun en Dirk Symonsz. Vredemakers van de bannen van Enkhuizen en Westeinde de Landrijksten hebben te kennen gegeven, hoe dat "van ouder hercomen" gebruikelijk is geweest alle twintig jaren het Stoelboek van de Landen in de Jurisdictie dezer stad gelegen, te vernieuwen, om die Landen op hun rechte eigenaars te brengen tot voorkoming van vele disordre, die daardoor anders zoude kunnen ontstaan, en alzoo den 30sten Dec. verleden het twintigste jaar is geweest, dat de jongste verstoeling is gedaan, zoo hebben de Landrijken voorsz. goedgevonden bij bedoeld oud gebruik te continueeren, enz.
Mede zullen worden geresumeerd de artikelen van 't Stoelboek tot onderhouding van goede orde, zoo over de dijken, wateringen, slooten, hoofmanschappen als anderszins, waaromtrent de Vredemaker Jacob Meun, de Schepen Mr. Sieuwert Heynsius en de Landrijke Pieter Paulus worden geautoriseerd aan Burgemeesteren van Enkhuizen rapport uit te brengen en voorstellen te doen.
De Vredemaker Jacob Meun wordt voorts gecommitteerd in Den Haag zekere stukken op te vragen bij den Hove Provinciaal ter zake een proces contra Harme Gerritsz. Botman.
Nog wordt geordonneerd, dat alle inwoners van Enkhuizen, Westeinde en Noorderbedijcke (de tegenwoordige buurtschap Oosterdijk) die eenige landen hebben liggen binnen de jurisdictie dezer stad gehouden zullen wezen, zelve aan de Vredemakers van Enkhuizen en Westeinde het landschot van hun landen te betalen.
Evenzoo zullen de Vredemakers het landschot innen van de buitenpoorters, die landen hebben liggen binnen de jurisdictie.
Hun zal ter kennisneming inzage worden gegeven van de stukken van 2 Juli 1589 en 31 Oct. 1603, aanwezig ter Secretarie van Enkhuizen.
D.B.

NOTEN:

1) Men weet nu meteen, vanwaar de term "met iets vrede nemen" stamt.
2) 1 Holl.-pond was het ons bekende "pond" van f 6.-. Het pond gold voor 2½ "nobel" en elke nobel voor 8 schillingen. Dat "pond" is wel zeer oud.
3) De stam of de familie als grondslag der maatschappelijke verhoudingen.
4) De "scabini", de rechters uit het rechtsapparaat van Karel den Groote.
5) Ook dat "buitenpoorters", dit zoo bekende Westfriesche woord, heeft dus een zeer hechte geschiedkundige afkomst.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.