Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » WFON » 1928 » Pagina 140-145

Het Westfriesch en het Friesch

Eerder verschenen in West-Friesland's Oud en Nieuw, 2e bundel, pagina 140-145.
Uitgave: Historisch Genootschap "Oud West-Friesland", 1928.
Auteur: Tj. Nawijn.

De tijd, waarin Westfriesland en het tegenwoordige Friesland één waren, ligt ver achter ons. Die tijd lag in het grijs verleden, toen ieder, die zich Fries wist, zich stelde onder de vlag met de zeven pompebledden 1), de vlag, waaronder de Zeven Vrije Friesche Zeelanden vereenigd waren. Het oud-Germaansche gedicht Kudrun, waarvan de schrijver onbekend is, geeft in strophe 1373 een aanwijzing, waaruit is af te leiden, dat in den tijd van het ontstaan van dit heldendicht de wit-blauwe vlag met de pompebledden als oorlogsbanier zijn volgelingen had:

Noch sihe ich hie bi weiben einen vanen breit
von wolkenblâwen sîden, daz si iu geseit:
den bhringet uns her Herwic dâ her von Sêlande,
sêbleter swebent dar inne, er wil hie vaste rechen sînen anden. 1)

Sedert zijn de vele waterplassen in Westfriesland, destijds het eerste van de Friesche Zeelanden, tusschen het Vlie en de Reker drooggelegd; het oude meer Flevo verwijdde zijne oevers, zoodat er een zoutwaterzee, de Zuiderzee, ontstond; steden en dorpen gingen onder, andere kwamen op; halfbeschaafde landheeren brachten in hun eer- en heerschzucht hunne legers tegen elkander in den strijd en verfden grond en water rood met menschenbloed; onder twisten over godsdienst en kerkleer, onder vechten van mensch tegen mensch, onder aanhoudenden strijd tegen het water, werden land en volk tot hetgeen ze thans zijn. Aan het land is het niet meer te zien, wat het in die donkere tijden is geweest en de mensch heeft er geen heugenis van.

Evenwel, de mensch moge in zijn streven naar hoogere ontwikkeling afbreken, hetgeen de voorvaderen moeizaam op den weeken bodem hebben opgebouwd, één gebouw is er, dat zich niet laat afbreken. Dat gebouw is zijn taal, waarin de mensch zijn gevoelens en gedachten, heel zijn zieleleven heeft uitgebeeld. Hij moge er soms iets aan veranderen, het hier en daar met behulp van uitheemsche verf een ander, naar zijne meening mooier, kleurtje geven, niettemin blijft het gebouw wat het is en de tegenwoordige bewoners gevoelen er zich evenzeer in thuis als die stoere kerels uit den tijd van Herwic, den Noorman, van wien in de Kudrun sprake is.

De Westfriezen zijn al zeer vroeg onder Frankischen invloed gekomen, terwijl zij, door de Zuiderzee gescheiden van Friesland, geen contact hadden met hunne stamgenooten.
Onder deze omstandigheden kon de oude taal onmogelijk onverbasterd bewaard hlijven; voortdurend werden meer Frankiscne elementen in de taal opgenomen.
Toch zijn desondariiks ten huidigen dage „de Friesche elementen in het Westfriesche dialect nog duidelijk waar te nemen”.
Ook omgekeerd heeft in de 16e en 17e eeuw het Westfriesch zijn invloed sterk doen gelden op het Hollandsch, zooals het in Amsterdam wordt gesproken. 3)

Wie de Westfriezen onder elkander hoort keuvelen, valt het op, hoe de wijze van gedachte-uiting belangrijk afwijkt van het Hollandsch (in engeren zin). Het Westfriesch heeft zijn eigen kleur, zijn eigen stijl. Het is niet te miskennen, dat zulks moet beantwoorden aan een eigen gedachte-leven.
Die stijl, die kleur, dat eigene in het Westfriesch uit zich, behalve in verschillende zegswijzen, in tal van woorden, die alle zeer na verwant zijn aan zuiver Friesche woorden en uitdrukkingen, die nog in het tegenwoordige Friesch ingebruik zijn.
Tot staving dezer uitspraak mogen hier een aantal Westfriesche woorden en uitdrukkingen volgen, welke door mij zijn ontleend aan het aardige werkje van den heer J. de Vries te Den Helder: „Westfriesche woorden”.

Afstiemen = warmte afgeven. In het Friesch bestaat het woord stymje dat dampen, wazemen beteekent; b.v. De hjittens stime fen tied ta tied mei walmen nei boppe = de hitte wazemde van tijd tot tijd in wolken omhoog. Verder beteekent het woord ook: onfrisch rieken. In het Friesch komt het woord ook voor in den vorm stieme.
Allegedurig, hetzelfde als het Friesche woord: allegedurigen.
Bidaren in: waar kan het bedaard zijn? komt overeen met het Friesche woord bidarje met dezelfde beteekenis.
Begrooten en begrootelijk; dezelfde woorden als het Friesche bigreatsje en bigreatlik.
Benepen = bleek, wit. In het Friesch bestaan de woorden binepen en binypt in de beteekenis van bekrompen, eng, benauwd.
Beren. In het Friesch bestaat het woord beare of bearje, dat de volgende beteekenis kan hebben: 1e veel geschreeuw maken: dat beart hjir, det hearren en sjen scoe yen forgean = dat is hier een geschreeuw, dat hooren en zien iemand zou vergaan; 2e. ophef maken: der wirdt nuver fen beard ho'n moai faem det is = er wordt veel ophef van gemaakt, welk een mooi meisje dat is; 3e doen alsof: bear mar det jy thùs binne = doe maar alsof ge thuis zijt; 4e klinken: de needklok beart = de noodklok klinkt; 5e harmonieeren (altijd met een negatie): it bearde net goed mei Trijntje en de frou = het harmonieerde niet goed tusschen Trijntje en de vrouw. De speciaal Westfriesche beteekenis van schelden ontbreekt in het Friesch.
Beuken, hetzelfde woord als het Friesche (hân)bûkje in dezelfde beteekenis.
(Beuker(tje). Hetzelfde woord bestaat in het Friesch, doch zonder de beteekenis stevig; integendeel, daar treedt het begrip klein zoozeer op den voorgrond, dat het tot zachtheid stemt.
Bezeeuwen. Hetzelfde als het Friesche bisauwe of bisauje in dezelfde beteekenis.
Boei in: een kleur als een boei. In het Friesch gebruikt men dezelfde zegswijze, en ook wel: in kleur as in boeijer.
Boet = schuur. Ongetwijfeld vindt men dit woord terug in het Friesche bûthus = het afgeschoten gedeelte van het boerenhuis, waar de stallen zijn.
Bollebuisje; hetzelfde woord bestaat in het Friesch.
Brak. In het Friesch bestaan de woorden brak, een substantief, dat speurhond beteekent en brak, een adjectief met de beteekenis met ingedeukten platten neus. Blijkbaar hebben de Friesche en het Westfriesche woord hetzelfde grondbegrip in de beteekenis.
Bremmen; hetzelfde als het Friesche brimme.
Briek; het Friesche woord bryk heeft dezelfde beteekenis, n.l. misvormd, anders dan het behoort te zijn. De Westfriesche uitdrukking: hij ziet er briek uit, wordt in Friesland nooit gebruikt; wel zegt men daar: it sjucht den bryk mei him út = het ziet er vreemd met hem uit.
Brijn (brain) komt overeen met het Friesche: breinsâlt of sa sâlt as brein = breinzout of zoo zout als brein. Met het oog op de uitspraak van het Westfriesche woord komt het mij voor, dat dit niet brijn, maar brein moet worden geschreven.
Daaiig; hetzelfde woord bestaat in het Friesch.
Dangelen. hetzelfde als het Friesche dangelje = omloopen zonder iets te doen, luieren.
Deinzig of deizig; hetzelfde als het Friesche dizenich of dizich.
Diessak of diessek. In Friesland wordt het woord dések, dat dezelfde beteekenis heeft, voor zoover mij bekend is alleen te Hindeloopen gebruikt. Het beteekent zak op de dij. In verband met de beteekenis komt het mij voor, dat het woord diessak met één s moet worden geschreven.
Dof in de beteekenis van nat, vochtig. In het Friesch spreekt men van dôf waer = min of meer vochtig weer, nevelachtig.
Don komt in beteekenis overeen met het Friesche woord deun: deun op de kant = vlak op de kant.
Doogen in de beteekenis van uitstaan, verdragen, bijname van heet eten en drinken. Het woord is hetzelfde als het Friiesche daeije met dezelfde heteekenis.
Dral; hetzelfde als het Friesche woord drollich.
Eid en eiden komen overeen met de Friesche woorden eide en eidsje.
Eieren in de uitdrukking: de boel van eieren maken. Precies dezelfde uitdrukking bestaat in het Friesch: de boel fen aeijen meitsje.
Eind in de uitdrukking: daar is 't eind van weg. Dezelfde zegswijze wordt in het Friesch gebruikt: de ein is der fen wei.
Epper; hetzelfde als het Friesche woord eptich, b.v. in eptich fanke = een proper meisje.
Fyk of fik; hetzelfde als in het Friesch.
Foekepot; in het Friesch fûkepot.
Gammel of gammelick. In het Friesch bestaat hetzelfde woord gammel, doch het slaat meest op personen. De oorspronkelijke beteekenis oud is daar nagenoeg verloren gegaan. Ik bin hwet gammel = ik ben wat onwel, zegt men daar.
Hoopstoops. Hetzelfde woord bestaat in dezelfde beteekenis in Friesland.
Huisriemrond. Het Friesche woord húisriem beteekent huis aan huis.
Kliemen; hetzelfde als in het Friesch.
Koud. In het Friesch spreekt men van kâlde omkesizzer = een aangetrouwde neef (oomzegger). Dit woord koud (kald) leeft nog voort. hoewel leelijk verbasterd, in het woord halfbroer = kalbroer = kaldbroer.
Kret. Ook in het Friesch spreekt men van een foar- en in efterkret = vóór- en een achterlbankje.
Krokken komt overeen met het Friesche krôkje (van sneeuw).
Lap. In het Friesch zegt men eveneens: kom mar op 'e lappen.
Lok. In het Friesch gebruikt men een sâltlokje = zoutpotje.
Mem, evenals in het Friesch.
Miereke. In het Friesch hestaat het woord mierkje, dat bij Gysbert Japicx (midden der 17e eeuw) nog voorkomt, doch tegenwoordig niet meer wordt gebruikt; het heeft de beteekenis van merken. Wel komt het nog voor in de woorden mierkbite en merkbite, die beide opmerken beteekenen.
Moeilijk in de beteekenis van verdrietig bestaat ook in 't Friesch.
Ootje = grootmoeder. In het Friesch zegt men beppe, doch in het stadfriesch gebruikt men eveneens het woord oate.
Pankoek in de zegswijze: groote lui d'r ziekte en arme lui d'r pankoek stinken ver. Eveneens zegt men in het Friesch: greateljues syktmen en earmeljues pankoeken rûke fier.
Partij met den nadruk op de eerste lettergreep wordt in dezelfde heteekenis in 't Friesch gebruikt: in parti minsken = sommige menschen.
Pels in de uitdrukking: het gaat op 't rommelen van de pels af; in het Friesch zegt men: wy scille it mar op it rammeljen fen de pels oankomme litte, in nagenoeg dezelfde beteekenis als de aangehaalde Westfriesche.
Piesje is hetzelfde als het Friesche pize = stuk.
Pil; ook in 't Friesch, in pille brea = een dik stuk brood.
Planteit; in dezelfde beteekenis in 't Friesch in gebruik.
Poezen; hetzelfde als 't Friesche pûzje = water laten vallen.
Regenig; ook in 't Friesch zegt men reinich, terwijl 't Hollandsche woord regenachtig is.
Rupsch zal wel hetzelfde woord zijn als het Friesche rûpsk, dat koud, huiverig beteekent.
Schik in de uitdrukking: iets met schik niet kunnen doen, wordt in het Friesch evenzoo gebruikt.
Schroei, hetzelfde als het Friesche skroei = honger.
Sermen, hetzelfde als het Friesche tsjïrmje = kermen.
Slim. Ook in het Friesch zegt men: slim forkâlden = erg verkouden.
Smuiger, hetzelfde als het Friesche woord smûger = kleine stookhut buitenshuis. Het woord smûger heeft ook de beteekenis van wind, terwijl het woord smûge beteekent: moeilijk en hoorbaar ademhalen door aamborstigheid.
Snobben; hetzelfde als 't Friesche snobje.
Speet. Ook in 't Friesch gebruikt men hetzelfde woord voor de eerste melkstralen uit den uier.
Spijn is hetzelfde als het Friesche spine.
Steeg = stijf, hetzelfde als het Friesene steech. B.v. in steech hynsder = een weerbarstig paard; it hynsder is daemsteech = het paard wil niet over den dam; steechhollich = stijfhoofdig.
Stelt is hetzelfde als het Friesche stalt (aan het water).
Stijg of stieg, hetzelfde als 't Friesche stiich (aan het oog).
Stolp komt overeen met het Friesche woord stjelp = boerenhuis, waarvan woon- en werkvertrekken, veestal en hooi- of graanschuur onder één dak zijn.
Streunen is hetzelfde als het Friesche strune.
Tijn. In Friesland zette men voorheen de melk in een tine te zuren.
Tis of tist. Ook in Friesland zegt men: it hier is yn de tiiz = het haar is in de war, verward.
Tuk. Ook in Friesland spreekt men van een tûke boer.
Uitveteren, hetzelfde als het Friesche útfiterje. Voorheen beteekende fiterje binden.
Verknoffeld, hetzelfde als het Friesche knoffelich (door koude).
Vertuiten. In Friesland zegt men: it docht gjin fortuten = het doet (geeft) geen vertuiten.
Vervangen = stijf van kou; hetzelfde als het Friesche bifinge = een verkoudheid opdoen.
Veugelen zal wel hetzelfde zijn als het Friesche feugelje = met een touw vastmaken en ook aandrijven.
Vlam = mist. Het Friesche woord flam = wazem.
Volk in de zegswijze: hij is nog volk van mij; wij krijgen vanavond volk. Op gelijke wijze in 't Friesch in gebruik.
Vool is hetzelfde als het Friesche fôle.
Vurg komt overeen met het Friesche fûrge.
Waffel in de beteekenis van mond, wordt ook in 't Friesch gebruikt.
Weeg komt overeen met het Friesche weach = wand en leeft ook voort in het Hollandsche weegluis.
Winsch of wensch stemt overeen met het Friesche wynsk.
Zangerig is :hetzelfde aIs het Friesche sangerich = aangebrand.
Zein is hetzelfde als het Friesche seine = zeis.

Ongetwijfeld zijn er veel meer Westfriesche woorden en uitdrukkingen in gebruik, die beantwoorden aan overeenkomstige in de Friesche taal. Verscheidene er van vindt men eveneens terug in het middel-Nederlandsch, getuige de geschriften onzer schrijvers als Vondel, Huygens, Hooft, Bredero e. a. *) Dit wijst op den invloed, dien het Friesch heeft gehad op de vorming van het Nederlandsch. Met groote waarschijnlijkheid mag worden aangenomen, dat de Friesche elementen via Westfriesland en de Westfriezen in het Nederlandsch zijn opgenomen.

Tj. Nawijn.

NOTEN:

1) Bladeren van de waterlelie, Nymphaéa alba.
2) Ook zie ik hierbij waaien een breede vaan van wolkenblauwe zijde. Dit zij u gezegd: die brengt ons heer Herwic, de heer van de Zeelanden. Waterbladeren zweven er in. Hij wil hier zeker zijn onge1uk wreken.
Herwic = een Noorman, die over Friesland heerschte.
weiben = waaien, wapperen.
sêbleter = waterbladeren, pompebledden.
rechen = wreken.
anden = ongeluk, verdriet.
3) De hier aangehaalde woorden zijn van den heer Ruijterman. Deze heer schreef mij verder:
„Vele Westfriezen hebben zich in dien tijd (n.l. de 16e en 17e eeuw) in Amsterdam gevestigd, dat toen in zijn opkomst was. In de Spaansche Brabander van Bredero komen vele Westfriesche uitdrukkingen voor, zooals die hier nog gesproken worden.
Ook de klemtoon is in vele gevallen Friesch, zooals b.v. Nieuwendijk, Haarlemmerdijk, enz. In het Westfriesch legt men den nadruk bij plaatsnamen altijd op de laatste lettergreep; ook spreekt men van keukendeur, wat in het Hollandsch keukendeur is.”
Het zou uit een taalhistorisch oogpunt van belang zijn, dat het Amsterdamsch, bij name het Jordaansch, grondig werd bestudeerd; een dusdanig onderzoek zou veel wetenswaardigs aan het licht brengen.
*) Een merkwaardig voorbeeld hiervan is het woord loof = vermoeid, dat bij die schrijvers nog wordt aangetroffen en dat enkel in Noordholland nog in den volksmond: leeft; ik hoorde het in den Beemster polder. Het hieraan beantwoordende Friesche woord leaf, dat dezelfde beteekenis heeft, werdt alleen nog te Molkwerum gebruikt. Een voorbeeld alzoo, dat een uit het Friesch in het Nederlandsch opgenomen woord in de algemeene landstaal in onbruik is geraakt, terwijl parallel met dit verschijnsel het Friesche woord zelve in het stamland mede nagenoeg is verdwenen.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.