Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 
Delen :


RSS

Archivering » De Speelwagen » 1955 » No. 8 » pagina 250-256

In de Spiegel van de Speelwagen

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 10e jaargang, 1955, No. 8, pagina 250-256.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

Op zoek naar ons voorgeslacht

Er zijn, geloof ik, maar weinig mensen die helemaal geen belangstelling hebben voor hun afstamming, voor hun voorouders dus. Toch komt uiteraard lang niet iedereen er toe zich te verdiepen in die materie, laat staan zelf op zoek te gaan naar zijn voorgeslacht.

Nu is dit ook niet zo'n eenvoudig werk en zeker niet iets dat in een handomdraaien gebeurd is. Indien men méér wil weten dan hetgeen enkele, meestal toevallig bewaarde familiepapieren en een soms vage familie-overlevering vertellen, dan moet men gaan zoeken in de openbare archieven. Of zo er kans is, dat reeds vroeger iets over de familie werd gepubliceerd, dan kan men beginnen met een speurtocht in boeken en tijdschriften, die genealogische gegevens bevatten of kunnen bevatten.

Niet iedereen heeft genoeg speurzin en vooral genoeg tijd en geduld om zo'n moeizaam onderzoek tot een einde te brengen. En eerlijk gezegd: men komt - eenmaal begonnen aan een dergelijk onderzoek - eigenlijk nimmer aan een einde. Hoevelen immers, die soms onwetend en argeloos zo'n speurtocht op genealogisch terrein ondernamen, worden er zó door gefascineerd, dat ze, steeds dieper en dieper gravend, van geen ophouden meer willen weten! Want naarmate zo'n onderzoek zich verbreedt en verdiept rijst boven de op zichzelf dorre jaartallen en nuchtere feitelijkheden een verhelderd inzicht in de geschiedenis der geslachten en in het leven en streven van zovele kleine en grote mensen, die reeds lang tot stof zijn vergaan. De "ups" en de even onvermijdelijke "downs", die zich in iedere familiegeschiedenis op de lange baan beschouwd aftekenen, zullen de volhardende navorser daarvan vaak onwillekeurig herinneren aan de dichterlijke ontboezeming van onze Willem van Haren, een man die het wel weten kon:

Nu ziet ge eerst klaar de broosheid aller dingen,
Hoe min het wuft geluk naar breidel hoort en toom;
En hoe de staat der stervelingen
Gelijk is aan een vlugge droom.

Maar laten we ons door de zwaarmoedige dichter, wiens leven én wiens familie zulke zware stormen verduren moesten, niet te ver laten meevoeren en zo de genealogie in een te romantische licht plaatsen. Een ervaren genealoog wapent zich immers allereerst met nuchterheid en voorzichtigheid, hij fantaseert er niets omheen, maar gaat stap voor stap van feit tot feit, wel wetend, dat uit de nuchtere waarheid en werkelijkheid romantiek genoeg en soms meer dan genoeg vanzelf te voorschijn springt.

Genealogie wordt mode

De genealogie of geslachtkunde en de daarmede nauw verbonden heraldiek of wapenkunde, hoezeer reeds vanouds met ijver beoefend, trekken toch eerst sedert de tweede helft van de vorige eeuw een veel algemener en breder belangstelling en worden dan tevens voorwerp van een meer systematische, wetenschappelijke bestudering.

Vooral zo omstreeks 1870-1880 tekent die opleving zich af. De Heraldische Bibliotheek, tijdschrift voor geslacht- en wapenkunde, onder leiding van de pionier J. B. Rietstap verschijnt in de jaren 1871-1883. Het Nederlandsch Familiearchief, uitgegeven door J. H. Scheffer en H. de Jager, brengt het in de jaren 1878-1883 tot 15 delen. De Nederlandsche Heraut, tijdschrift op het gebied van geslacht-, wapen- en zegelkunde volgt van 1883-1894 met 8 delen. Het Algemeen Nederlandsch Familieblad verschijnt in de jaren 1883-1897 en van 1900-1904 met totaal 17 delen en zet zich dan voort in de reeks Genealogische en Heraldische Bladen, waarvan tussen 1906 en 1915 totaal 10 delen het licht zagen.

De wetenschappelijke beoefening van de genealogie en heraldiek is vooral verbonden met het thans bestaande en genaamde Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde "De Nederlandsche Leeuw", waarvan reeds in 1883 het gelijknamige maandblad begon te verschijnen, dat nu zijn tweëenzestigste jaargang welhaast heeft voltooid.

Het Nederlandsch Adelsboek, in een rood bandje naar het voorbeeld van de aloude en illustre Almach de Gotha, start in 1903 en het Nederlands' Patriciaat in eenzelfde formaat, maar in blauw bandje, verschijnt in 1910 en voltooide dit jaar de eenenveertigste jaargang. De oorlogsjaren 1940-1945 brachten de ongezonde uitwassen, waaraan de woorden sibbe en sibbekunde een onaangename bijklank te wijten hebben.

Na die donkere jaren bewijst de oprichting van de "Nederlandsche Genealogische Vereniging" de gebleven belangstelling: zij geeft sedert 1945 het populaire maandblad Gens Nostra uit.

Het bevrijdingsjaar bracht ook de oprichting van het Centraal Bureau voor Genealogie, een wetenschappelijk studie- en informatiecentrum, gevestigd te 's-Gravenhage. Dit publiceerde sedert dien regelmatig een gedegen Jaarboek.

Lastige Waterlanders

De doorsnee-genealoog, die de nodige ervaring heeft opgedaan, kan met een beetje geluk zijn stamboom of kwartierstaat tot in de zeventiende eeuw terugvoeren en zit het bijzonder mee, dan dringt hij op enkele punten zelfs tot in de zestiende eeuw door. Verder komt hij echter meestal niet omdat hier in Noord-Holland boven het IJ de grote gebruikelijke bronnen: de oude kerkelijke doop-, trouw- en begraafboeken, de stadstrouwboeken, de oudrechterlijke en notariële archieven, in het gunstigste geval tot in de tweede helft van de zestiende eeuw terugreiken. Een onderzoek in nog vroegere tijden, in de late Middeleeuwen, moet putten uit geheel andere bronnen, die niet alleen schaars, maar bovendien zeer moeilijk te interpreteren zijn, zodat alleen een ervaren vakman zich hiertoe begeven kan.

In het negende Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, dat dit jaar uitkwam, troffen we twee studies die de moeilijkheden van dergelijke onderzoekingen duidelijk illustreren.
Jhr. F. Teding van Berkhout en mr. J. W. Groesboek onderzochten de afstamming van het geslacht Teding van Berkhout1. Het wapen van deze Noordhollandse familie toont zeven rode kepers in goud met een vrijkwartier, dat in blauw een zilveren kraanvogel laat zien. Die kepers herinneren onwillekeurig aan het bekende, overigens slechts zes rode kepers tellende wapen van het aloude huis der heren, later graven van Egmond!
Allereerst werd daarom ook onderzocht of hier inderdaad sprake kon zijn van een afstamming uit dit huis. Hiertoe ging men uit van de eerste drager van de naam: Jan Teding Berkhout (1549-1632), die een zoon was van Jan Berkhout, afkomstig uit Hoorn en die o.a. burgemeester is geweest te Monnikendam, en van Cornelia Jan Tedingsdochter, overleden vóór 1567. Deze moeder nu stamde dus uit een geslacht Teding, of liever uit een dat zich Teding noemde. Immers de oudste drager van deze naam, aangetroffen in bronnen uit de jaren 1423-1439, t.w. Jan Teding, blijkt een zoon te zijn van Jan van Crabbenburg, alias jonge Gerbrand de Grebberszoon! Deze Jan, zoon van Gerbrand de Grebber, was gehuwd met zekere Trude Melis, vermoedelijk - zeggen de schrijvers voorzichtig - een dochter van Melis Jan Tedingszone. Via deze laatste zou dus de zoon van Jan van Crabbenburg de naam Jan Teding gekregen kunnen hebben. Maar we zijn er nog niet! Want die Jan van Crabbenburg was blijkens zijn alias van huis uit een De Grebber, die de naam Van Crabbenburg verwierf van zijn grootmoeder van vaderszijde, genaamd Machteld en "hoogstwaarschijnlijk" - schrijvers blijven voorzichtig - een dochter van een Jan van Crabbenburg. De vader van deze Jan wordt vermeld als heer Jan van Crabbenburg, ridder! Hij hield, tot 1 Juli 1342, van de heer van Egmond in leen een huis en land binnen "onser vrijen Houven". Van hem nu achten de schrijvers de afstamming uit de heren van Egmond "zeer waarschijnlijk". Maar, zeggen ze, "of 'Crabbenburch' inderdaad een kasteel geweest is, weten we niet. Evenmin weten we waar wij dit Crabbenburch moeten zoeken, in geen enkele middeleeuwse akte is de naam als een topografische plaatsaanduiding aangetroffen".

Schrijvers trachten vervolgens de stamreeks van de middeleeuwse De Grebbers "op te bouwen"; een poging waarvoor we, gezien de welhaast onoverkomelijke moeilijkheden, voortvloeiend uit de spaarzaamheid en onvolledigheid van de beschikbare bronnen, groot respect hebben. Dit Waterlands geslacht telde overigens soms lastige potentaten en hun geschiedenis is vol van allerlei conflicten. Zo was Jan de Grebber, vermeld tussen 1409 en 1442, evenals zijn vader en broer, betrokken bij de moord op Symon van Zaenden... Een troost is het, dat juist aan deze conflicten het bestaan van allerlei akten is te danken, die ons omtrent deze heren licht verschaffen! Schrijvers komen tot de slotsom, dat ook het geslacht De Grebber "tot de adel gerekend werd, en het is dan ook niet uitgesloten, dat wij hier te doen hebben met een zijtak van de oudste heren van Waterland".

Grappig misschien, maar tevens een waarschuwing voor de voetangels en klemmen op dit terrein, is het feit, dat door foutieve lezingen zowel als door foutieve spellingen, de blijkbaar minder bekende naam Crabbenburg verhaspeld werd tot Cranenburg, een naam die meer bekend was. Tengevolge van deze vergissing prijkt het wapen Teding van Berkhout nu met een kraanvogel in het vrijkwartier. Een gebrandschilderd raam van de St. Nicolaaskerk te Monnikendam toont prachtig het juiste wapen: "zijnde gekeperd van goud en rood van zes stukken met als vrijkwartier... het oude de Grebber wapen, dat tevens het wapen van Waterland was, te weten in blauw een zilveren zwaan met rode bek en poten, die tevens als helmteken gevoerd werd".

Egmond doet zich gelden

De tweede belangrijke studie in het Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie2 is van de ervaren hand van mr. J. Belonje en getiteld: de afkomst van het geslacht Van Egmond van de Nijenburg. De naam wijst er al op, dat ook hier afstamming uit het huis Egmond in spel is.
Mr. Belonje putte de stof voor dit onderzoek voornamelijk uit een aantal oude akten, in bezit gekomen van de familie Van der Feen de Lille, die hem tal van nieuwe gegevens opleverden, welke deze kwestie dichter bij een volledige oplossing brengen.
Hij constateert, dat de naam Van Egmond van de Nijenburg (of Nieu(w)burg) eerst na het midden van de zestiende eeuw gevoerd werd. Daarvóór verschijnen de leden van dit geslacht slechts onder een patronymikon!
Dit is dan ook het geval met een gewichtige figuur als Jan Gerritsz. (overl. 25 Maart 1523), bekend als baljuw van de Nieuwburg, wonende op het kasteel van die naam onder Oudorp. Ambt noch kasteel waren hem echter aangeërfd, maar zowel het baljuwschap als het kasteleinschap met het daaraan verbonden rentmeesterschap had hij in pacht van de graaf van Egmond. Hij was ook leenman van deze graaf, had voorts van de rentmeester-generaal van Kennemerland en West-Friesland ook het dijkgraafschap van Geestmerambacht in pacht en was dus in zijn tijd een zeer machtig en blijkbaar ook bekwaam man.
Dank zij mr. Belonje weten we ook hoe hij er uit zag! Een bekend portret van de hand van Jacob Cornelisz. van Oostsanen (Rijksmuseum, Amsterdam) stelt blijkens het daarop voorkomende wapen, zoals mr. Belonje overtuigend aantoont, niemand anders voor dan deze Jan Gerritsz., die - zoals schrijver het uitdrukt - "een typies Westfries uiterlijk heeft". In het landschap op de achtergrond van het portret ziet schrijver "een nauwkeurige weergave van de directe omgeving onder Oudorp". Hierop hoopt hij nog nader terug te komen en we zien dit betoog met belangstelling tegemoet, reeds bij voorbaat overtuigd, dat hij daarvoor goede gronden heeft.

Dit opkomend geslacht, dat onder de trotse naam Van Egmond van de Nijenburg tot in de achttiende eeuw zal bloeien, om dan - in de rechte lijn tenminste - te verbleken en te verwelken, stamde vrijwel zeker uit een bastaard tak van het illustere huis van Egmond. Daarop wijst het door Jan Gerritsz., door diens vader en andere verwanten gevoerde wapen, dat hetzelfde is als dat van Egmond, maar de kepers worden hier doorsneden door een schuine balk of lijn, welke het merk der bastaardij is. Er zijn in die tijden vele families geweest, die hun opkomst dankten aan een dergelijke illegitieme verwantschap. Terecht zegt mr. Belonje: "Blijkens de XVe en XVIe eeuwse Alkmaarse zegelcollectie hebben er destijds in de 'regering' van die stad tamelijk wat deelnemers gezeteld, die vrij zeker op illegitieme wijze uit Egmond voortgekomen waren." En niet alleen in Alkmaar vond men zulke families maar in geheel Kennemerland en West-Friesland!

Steeds weer: Egmond!

Bekend is in dit verband het geval Semeyns.3 Het befaamde Privilege Semeyns werd door prins Willem I in 1577 verleend aan de zeer welgestelde Enkhuizer koopman en reder Simon Meynertsz. ("de oude Semeyns") en diens drie oudste zonen Meinert, Pieter en Jacob, wegens door hen aan de prins verleende bijstand, vooral ook in de vorm van financiële steun.
De oudste zoon Meinert heet in dit privilege "getrout aan den Huyse van Egmont". Zijn vrouw, Geert Simonsdr. van Waerverhoef, zou nl. de achterkleindochter zijn van zekere Groot Allert Jansz. van Egmond, geboren te Andijk ca. 1483, als natuurlijke zoon van Jan I van Egmond en Josina, dochter van Waerver, heer van Waervershoef! Deze afstamming is nimmer afdoende bewezen, zo ze ooit te bewijzen zal zijn, en een Heer van Waervershoef te vinden.

In Gens Nostra (jrg. 9, 1954, blz. 185) levert J. F. Daarnhouwer een goed-gedocumenteerd betoog, dat het Enkhuizer en Texels geslacht Kikkert afstamt van de jongste broeder, Gerrit, van Meinert Simonsz. Semeyns. Hieruit volgt dus, dat deze Kikkerts in elk geval niet met Egmond verwant zijn en, daar zij niet van Meinert of een der twee andere oudste broers afstammen, daarom - zij het zonder enige boze opzet - ten onrechte zich vroeger hebben beroepen op het befaamde privilege.

Westfriese families

De familie Semeyns leverde nog stof tot twee artikelen in het jongste genealogische periodiek West-Friese Families, waarin nl. de heer S. W. Melchior een lijst publiceert van "Met Semeyns geparenteerde geslachten" (jrg. 1, 1955, no. 5) en een nog onbekende auteur een publicatie aanvangt over "De zgn. landelijke tak van het geslacht Semeyns" (idem, no. 6). Deze laatste behandelt de afstammelingen van de hierboven genoemde Gerbrandt, de jongste zoon van "de oude Semeyns". Het is wel merkwaardig, dat inderdaad alleen diens nakomelingen zich op het Westfriese platteland hebben verspreid en gevestigd tot in onze dagen toe. "De oorzaak hiervan is ongetwijfeld gelegen in de omstandigheden, dat de kleinzoon van Gerbrandt en Meinu Hermans, Paulus Frederiksz. Semeyn, de eendenkooi - nog steeds bestaande - te Zwaagdijk stichtte en van daaruit zijn de nakomelingen op het platteland verspreid."

Gaarne bevelen we het periodiek West-Friese Families in de aandacht van onze lezers aan. Totnogtoe verschijnt het als gestencild blad, van bescheiden allure. Het wordt verzorgd door de "Commissie voor Westfriese genealogie en naamkunde" van het Historisch Genootschap "Oud West-Friesland" en u kunt het bestellen bij de secretaris-penningmeester ir. C. Koeman te Blokker.
In de dit jaar verschenen nummers kwamen, behalve de hierboven gesignaleerde artikelen, bijdragen voor betreffende o.a. de Westfriese families Balk, Clay, Koelemey, Koster, Sluis, Groot en Zwaan.
Juist omdat dit blad zich specialiseert op een betrekkelijk klein gebied is het voor hen, die er hun bakermat hadden, zeer aantrekkelijk. Iedere Westfries zal er gauw iets van zijn gading vinden, doordat vele families op allerlei wijze met elkaar vergroeid en verwant zijn. Voor wie hierdoor geprikkeld wordt tot een familie-onderzoek geeft dit blad bovendien aardige en nuttige wenken, die de beginneling op genealogisch gebied goed van pas komen.

Overigens mogen we nogmaals verwijzen naar wat we ter waarschuwing hierboven gezegd hebben: men weet op dit gebied wel waar men begint, maar niet waar men ophoudt!
Maar ligt misschien juist hierin niet het aantrekkelijke van de genealogie, dat het een ontdekkingstocht is in onbekend gebied, waarbij men niet weet waar men terecht zal komen?

1 Tedingh van Cranenburg, t.a.p. blz. 13 e.v.
2 Deel IX, 1955, blz. 39 e.v.
3 Zie het artikel van S. W. Melchior, Het Enkhuizer geslacht Semeyns, in: De Speelwagen, jrg. 5, 1950, blz. 269. Ook idem, jrg. 6, 1951, blz. 153: Nogmaals Semeyns, door J. F. Daarnhouwer.


© 1924-2012 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.