Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 
Delen :


RSS

Archivering » De Speelwagen » 1955 » No. 7 » pagina 220-222

In de Spiegel van de Speelwagen

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 10e jaargang No. 7, 1955, pagina 220-222.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

Noord-Holland Fries?

Spraken we in onze vorige Spiegel over „duistere eeuwen” en over de „complexiteit van het historisch gebeuren”, hoe meer we dit voor ogen houden, des te meer intrigeert ons dit alles omdat we zo graag willen weten hoe het in die vroeg-historische tijden gesteld was met die uithoek tussen zee en meren, die nu Noord-Holland heet. Slaan we er Boeles op na, dan lezen we (t.a.p. blz. 112), dat het gebied der Friezen in de Romeinse tijd ook omvatte „het tegenwoordige Noord-Holland, het latere West-Friesland, want de Friezen woonden rondom onmetelijke meren, gelijk Tacitus vermeldt, waaronder het Flevomeer, dat door eilanden, als Urk en Nagel, min of meer verdeeld werd. Het werd omgeven door brede stroken veenachtig land, waarop bossen groeiden, die allengs zijn weggeslagen bij het ontstaan van de latere Zuiderzee”.

De bevolking hier moet dus Fries of tenminste met de Friezen nauw verbonden zijn geweest. Dicht kan die bevolking niet geweest zijn en het gebied was politiek weinig belangrijk, gezien het feit, dat de Romemen het letterlijk links lieten liggen.

Boeles zegt dan ook in zijn beschrijving van, de opstand der Friezen in het jaar 28 na Christus (t.a.p., blz. 120), dat aléén de tegenwoordige provincie Friesland „en speciaal het west van de Middelzee, aan de waterweg gelegen Westergo in de vroeg-Romeinse tijd dichtbevolkt was”. Vóór-Romeins, geometrisch versierd vaatwerk werd tot dusverre, zegt hij, in West-Friesland in het geheel niet en het inheemse vroege Friese aardewerk („doorgaans dik van scherf, geheel uit de hand gevormd, zonder hulp van de draaischijf en bij een meestal open vuur tamelijk zacht gebakken van zeeklei...”) slechts schaars aangetroffen.

We weten, dat ook vondsten van Romeins aardewerk en Romeinse munten in onze streek zeldzaam zijn.

Terpen zoals in Friesland vond men hier in de Romeinse tijd niet. De vooral bij Schagen aangetroffen Westfriese terpen zijn anders van constructie en in elk geval veel jonger. Braat meent, „dat die Westfriesche terpen tegen het einde der negende eeuw op eenmaal zijn opgeworpen”.1

Wat de taal betreft, die hier in de Romeinse tijd gesproken werd, algemeen wordt wel aangenomen, dat langs de kust van Groningen tot Vlaanderen nauwverwante dialecten bestonden. Volgens oudere opvattingen werden deze als Fries bestempeld. Dat Fries zou in Noord-Holland boven 't IJ later door 't Frankisch zijn verdrongen. Nieuwe opvattingen geven aan een gehele reeks dialecten, in de eerste eeuwen onzer jaartelling gesproken in het gehele gebied langs de Noordzeekust vanaf Vlaanderen tot in het mondingsgebied van de Elbe, de naam lngvaeoons. Hoe men aan die naam komt, doet er hier niet toe, maar deze dialecten hadden zoveel van het Westgermaans afwijkende verschijnselen gemeen, dat ze in dit Westgermaanse taalgeheel toch duidelijk een afzonderlijke plaats innemen. In die reeks „kustdialecten” tekenden zich echter weer twee groepen af: een Westingvaeoonse, omvattend Vlaanderen, Holland, Friesland en Groningen; en een Oostingvaeoonse omvattend het gebied beoosten de Dollart tot Holstein.

Door de invasie van de Oostingvaeoonse Angelen en Saksen in Friesland zouden nu de Friezen hun oorspronkelijke taal hebben ingeboet. „Deze Angelen en Saksen hebben dáár (in Friesland) niet alleen een politieke heerschappij ingevoerd - terwijl merkwaardigerwijze de naam Friezen bewaard bleef - maar hun taal definitief aan de onderworpen Westingvaeoonse Friezen opgedrongen. In Holland daarentegen zijn de „Friezen” er nooit in geslaagd hun taal te doen aannemen... "2

Volgens deze opvatting zou dan juist het Noord-Hollands een uiterst conservatief karakter hebben, omdat ook het later vanuit het zuiden opdringende Frankisch er veel minder vat op heeft gekregen dan bijv. op het Zuidhollands. Het verschil tussen noordelijk- en centraal-hollands is dan ook niet te verklaren door een friese onderlaag in het noordhollands, maar berust op een vervorming van het zuidhollands, terwijl in het noorden zuiver hollands bleef.”3

Friese expansie en teruggang

Ná de invasie in Friesland begint de Friese expansie. Men heeft dit laatste wel als een gevolg van het eerste willen zien: door de Angelsaksische „infiltratie” zou de drang tot uitbreiding van het Friese gebied, die zich in de zevende eeuw krachtig openbaart, tot daden zijn gewekt.

Hoe het zij in de zevende eeuw vertoont zich een wat Boeles4 noemt „Grootfriesland”. Reeds in de jaren 640-650 dringen de Friezen door tot in Utrecht en Dorestad en later, tussen 689 en 695, onder Redbad, opnieuw en nog weer eens tussen 716 en 719. Zij worden door de vanuit het zuiden komende, evenzeer expansieve macht der Franken5 telkens teruggedrongen, maar eerst definitief door Karel Martel, die de Friezen tenslotte in Friesland aan de oevers van de Boorne anno 734 beslissend wist te slaan. In deze onrustige tijden hebben de Friezen zeker ook Noord-Holland soms geheel, soms gedeeltelijk overheerst en de frankisering hiervan gehinderd. Met de Franken kwamen ook de eerste predikers van het Christendom. Toen in de jaren 693-695 de Frankische hofmeier Pippijn de Friese potentaat Redbad had verslagen, drongen de Franken door tot Egmond en kon de geloofsverkondiger Adalbert daar optreden. Maar weer dertig jaar later strekte het Frankische gezag zich niet verder uit dan tot Velzen.6

Het is Karel de Grote geweest, die Friesland tot aan de Wezer onder Frankisch gezag bracht en tevens onder invloed van de Christelijke beschaving. Het Karolingisch Grootfriesland had eigen wetgeving en rechtspraak, vastgelegd in de Lex Frisionum, welke gelding had tussen het Zwin (bij de monding van de Schelde) en de Wezer (grens tussen Friezen en Saksen).

Na de dood van Karel de Grote verbrokkelt de Frankische macht. Het is de tijd van de invallen der Noormannen. Er werden door Lodewijk de Vrome toen, noodgedwongen, delen van Grootfriesland in leen gegeven aan enkele voorname Vikingen, o.a. werd de Deense prins Rorik beleend met Dorestad en vanaf ca. 850 met een veel groter gebied, de monden van de Rijn omvattend. „De grenzen van de weleens als „Regnum Frisonum”, het Friese Koninkrijk, aangeduide leen zijn slechts vaag bekend, als waarschijnlijk begrensd door Maas en Vlie. Kennemerland, in Noord-Holland, vormde het centrum.”7 Nog heette Noord-Holland dus Fries en er regeerden nog Friese graven - want vertelt Boeles verder: „Rorik werd in 882 opgevolgd door de Deen Godfried, die in 885 alweer uit de weg werd geruimd. Hij had twee Friese graven onder zich, Gerolf en Gardolf. Het graafschap van Gerolf lag ten westen van het Vlie en ging later over op de graven van het Hollandse huis.”

De definitieve afscheiding tussen West-Friesland en Friesland voltooit zich en het zich tot Zuiderzee verbredende Almere maakt ook geografisch de afstand tussen beide steeds groter. Al zond dan West-Friesland ook in de twaalfde eeuw nog afgevaardigden naar de Upstalboom, het gaat tenslotte voortaan zijn eigen historische gang!

1 W. C. Braat, De archaeologie van de Wieringermeer (diss., Leiden 1932), blz. 36.
2 Dr. A. Weynen, De Nederlandse Dialecten (Groningen-Batavia 1941), blz. 128. Dr. Weynen steunt hier vooral op K. Heeroma, Hollandse Dialektstudies (Groningen-Btavia 1935).
3 Dr. A. Weynen, De Nederlandse Dialecten (Groningen-Batavia 1941), blz. 127.
4 Friesland tot de elfde eeuw (2de druk), blz. 269.
5 Zie over de Franken de dissertatie van DR. W. J. de Boone, De Franken (Amsterdam 1954)!
6 Friesland tot de elfde eeuw (2de druk), blz. 286.
7 Friesland tot de elfde eeuw (2de druk), blz. 389.


© 1924-2012 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.