Archivering » De Speelwagen » 1955 » No. 5 » pagina 158-160
Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 10e jaargang No. 5, 1955,
pagina 158-160.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteurs: H. Schokker / G. Roos-de Jong.
Midden in 't dorp van Volendam, stond de „trouwklok”. Ze stond daar op de dijk, dicht bij 't oude postkantoortje, of, zoals de volksmond zei: „bij Breggie”. Breggie was de kantoorhoudster van 't dorp; achter was de woning kantoor, vóór winkel, waarin koffie, thee, tabak en sigaren, benevens ansichten genoeglijk elkaars nabijheid deelden, begerig, om verkocht te worden. 't Huis staat er nog net zo, zij 't dan, dat 't geen kantoor meer is. Maar de trouwklok, die voor menige Volendammer luidde, staat er helaas niet meer. Is 't omdat 't snelle autoverkeer zoiets traditioneels niet meer toeliet? Zijn de Volendammers zelf veranderd, dat ze dit aloude gebruik lieten varen? Want oud was 't, maar mooi ook. Kwamen bruid en bruidegom vanuit Edam, waar ze aangetekend waren naar Volendam, om zich daarna naar de pastorie te begeven, dan waren vrienden van 't bruidspaar al druk bezig, om vanaf de trouwklokpaal naar de overkant van de straat een soort ereboog te maken, vaak versierd met de voorwerpen, die betrekking hadden op 't beroep van de bruidegom. Dit waren vaak netten, aalfuiken, enige aalmanden er tussen door, dus meestal vistuig, omdat de meesten toen nog visserman waren. Kwamen bruid en bruidegom (naast elkaar lopende doch nooit gearmd) bij de pastoor vandaan, dan gingen ze de kerketrap op en de dijk over langs de trouwklok. Vrienden stonden op de uitkijk en wanneer ze boven aan de trap waren, ging 't van mond tot mond: „daar hej je ze”, en de vrolijke klokkenklanken zongen 't bruidspaar tegemoet. De vlag wapperde aan de klokken paal en ieder die de klok hoorde luiden, liet 't werk in de steek en rende de dijk op. De bruid werd 't meest bewonderd en 't was ook een mooi gezicht. De prachtige witkanten hul, de mooie kleurige geborduurde „krollap” en 't stikkie, 't zelfde patroon als de krollap, op de mooie zwarte boezel. Daar onder de zgn. „rooie rok”, prachtig geplooid in rode, witte en groene strepen, waaronder de zwarte lakmuilen uitgluurden. Ze werden onder de klok staande gehouden. Hun beste vrienden hadden een fles brandewijn bij zich met de glaasjes en in de glaasjes, versierd met een papieren roosje, kregen ze hun feestdronk en werden gelukgewenst, ten aanschouwe van een opgetogen, saamgedromde menigte. Gelukwensen, gescherts, gejoel en gelach en daarna mochten bruid en bruidegom naar hun ouderlijk huis gaan, waar de hele buurt vlagde en waar steevast in de spiegel met dikke kaarsvetletters stond geschreven Hulde aan het Bruidspaar. De kamer was versierd met mooie gekleurde, zelf geknipte slingers. Zolang de bruidsdagen duurden bleef 't versiersel hangen. Jammer, doodjammer, dat die oude klok wijken moest. Deze traditie zou natuurlijk tegenwoordig op de dijk niet meer plaats kunnen vinden, wegens 't drukke verkeer. Maar zou er ergens in 't dorpje toch nog een rustig hoekje voor te vinden zijn? Wie weet, komt nog weer eens de trouwklok terug en leeft heel Volendam weer mee met 't wel en wee van hun bruidsparen! Een goede oude traditie zou daarmee weer in ere hersteld zijn en meehelpen om Volendam zo echt Volendam te doen zijn.
In mijn gedachten denk ik nog dikwijls terug aan de kermis, zoals die was in mijn jeugd, zo in het
laatst van de vorige eeuw.
We hadden drie weken zomervacantie op de lagere school en de middelste vacantieweek was dan de heerlijke
kermisweek. Wat viel daar toch een heleboel voor ons kinderen te genieten. Uit logeren gaan of kamperen,
zoals nu de kinderen doen, kwam in onze tijd zo goed als niet voor. Het prettige begon al in de eerste
week van onze vacantie. Woensdags om twaalf uur werd dan de kermis ingeluid en op dat tijdstip stroomden
de kinderen naar het grote kerkplem, allen gewapend met een stuk krijt of plankje met krijt besmeerd,
en zodra de klok begon te luiden, krioelden de kinderen door elkaar heen onder het geroep van:
„kermisstreep, kermisstreep”, elkaar een streep krijt op mouw of rug gevende. Die pret duurde
een kwartier lang. Wanneer de kermis ingeluid was, mochten de eigenaars van kramen en tenten beginnen
op te bouwen op de door de gemeentebode aan hen toegewezen plaatsen en dan was er voor de mannelijke
jeugd werk aan de winkel, want elke kraam of tent had wel een paar jongens nodig, die hielpen met het
sjouwen van planken enz. 's Middags gingen wij naar de haven kijken of er al schepen lagen met
de poffertjeskraam of de grote beignetkraam of de cents draaimolen er op. De schuit met de
kinderdraaimolen er op voer altijd van de haven door de binnenvaartjes naar zijn vaste ligplaats
„Onder de boompjes”.
Het hoogtepunt voor ons kinderen was wel de aankomst van het paardenspel van Blanus. Daar was veel te
zien en wat was het niet heerlijk als de muzikanten zittend op een platte wagen soms met een clown
erbij, vrolijke marsen blazende, door de stad reden.
Zondagsmiddags om vier uur werd de kermis geopend, maar Zaterdags waren er al veel kramen open. Dit
werd oogluikend toegestaan om de mensen, die van buiten gekomen waren, alvast wat te kunnen verkopen.
's Maandagsmorgens om negen uur zag men in de Nieuwsteeg, alwaar het politiebureau was, het ene orgel
na het andere voorrijden, een nummertje ten beste gevende, om aan te tonen, dat hun orgel goed op stem
was en niet al te vals klonk. Was dit wel het geval, dan werd de vergunning geweigerd, maar dat kwam
in de praktijk niet veel voor. Daarna werd het gezellig in de stad, want al die lui, die hun bewijsjes
gekregen hadden om in de stad muziek te mogen maken of hun kunsten op pleintjes of hoeken van straten
te vertonen, gingen direct hun geluk beproeven. Er waren er heel wat. Grote en kleine orgels, een
orgeltje op één poot dat de man voor zijn buik droeg, de doedelzakspeler, liedjeszangers,
straatkunstenaars en dan de hardloper niet te vergeten, die gekleed in een vleeskleurig tricot al
dribbelend van huis tot huis ging om geld op te halen. Die man vonden wij kinderen, maar echt griezelig.
's Woensdags was er paardenmarkt; dan verwisselden er heel wat paarden van eigenaar en was het
op de kermis zeer druk. De meeste mensen hielden op die dag Zondag, want gewerkt werd er dan niet.
Zaterdags om twaalf uur werd de kermis uitgeluid, wederom luidde een kwartier lang de grote kerkklok,
maar Zondags daarop volgende was het nog volop kermis, meestal de drukste dag van de hele kermisweek
en dan begon op Maandag (de laatste week van onze schoolvacantie) de lapjesmarkt en kwamen er veel
kooplieden uit Amsterdam en elders met hun waren, die ze uitstalden op de Nieuwstraat en Gouw en was
het daar een drukte van belang, maar niet te vergelijken met tegenwoordig, want nu beslaan die kraampjes
veel meer straten en pleinen.
Gedurende de kermisweek was het gewoonte dat de lantaarnopsteker, putjesschepper, vuilnisman, krantenman
en nog vele anderen langs de huizen liepen en de bewoners plezierige kermis toewensten, wat nu ook wel
tot het verleden zal behoren. Na de Zondag werden de kramen en spellen afgebroken en was de rust in
Hoorn weergekeerd en wij kinderen gingen na nog een paar dagen van onze vrijheid genoten te hebben,
welgemoed het mooie oude poortje in de Kruisstraat onderdoor om de nodige kennis op te doen in de
door ons zo welbekende schoollokalen.