Archivering » De Speelwagen » 1955 » No. 1 » pagina 5-8
Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 10e jaargang No. 1, 1955,
pagina 5-8.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Jan Mens.
Een pleidooi tot zelfbehoud
door Jan Mens
Bij de discussies, die thans allerwegen worden gevoerd over het behoud van ons vaderlands landschap- en stedeschoon,
komt veelal het argument op de proppen van de buitenlandse toerist en zijn dollars, ponden, frankskens en marken. Pecunia
non olet: geld stinkt niet! Waarlijk beschamend is het, dat het "belang" van het vreemdelingenverkeer als voornaamste
argument wordt gebruikt voor het behoud van een monument - al zal dit vaak met de beste bedoelingen gebeuren. Men pleit
voor het behoud van de inkomsten, niet voor het monument, alleen omdat er geld aan te verdienen valt. Er zijn discussies
gevoerd tussen "belanghebbenden" - hotelhouders, restaurateurs, exploitanten van rondvaartbootjes e.d., zó zwaar
afgestemd op de vreemdeling en zijn portemonnaie, dat het de argeloze minnaars van historisch schoon wee werd om het hart...
Nu mag men natuurlijk niet voorbij zien, dat zuiver commerciële bemoeiingen inderdaad tot een aanvaardbaar en zelfs
een aantrekkelijk resultaat kunnen leiden. Het kijkspel van de Alkmaarse kaasmarkt is er een interessant voorbeeld van.
Maar wie daar tegenover stelt de show-business te Volendam en op Marken, heeft gelijk als hij zegt dat deze vertoningen
niets maar dan ook niets met het streven naar het behoud van historisch schoon van doen hebben, noch dat zij heenwijzen
naar een groots en luisterrijk verleden.
Behoud van landschap- en stedeschoon is een zaak van de bewoners zelf; een belangrijke zaak, omdat zij appelleert aan het
beste dat wij bezitten: de erfenis van ons verleden. Ontzaglijk roekeloos hebben onze vaders en grootvaders hiermee
omgesprongen; men dacht het kan niet op, er is zóveel, er komt geen einde aan. Men heeft gedempt, gesloopt,
verwoest en in puin gehakt, het verleden was niet heilig of, zo ge een andere omschrijving wenst, men toonde geen eerbied
voor het karakter van onze historie. Terwijl deze toch het zichtbare merkteken is, waarin het heden zich manifesteert.
De slopers met hun heilsmagie van zakelijkheid en nuttig rendement, de door dolle verkeersdrift bezeten dempers,
rechttrekkers en platmakers die het Kaïnsteken der vernietiging met zich dragen, de onmondigen en serviele knechten
van de moloch Verkeer - zij die stapelgek worden, als ze een halve minuut moeten omrijden, zij hebben gemaakt dat de
minnaars van oud schoon zich vaak onbekwaam tot enig compromis tonen. Wie weet, hoe verrukkelijk mooi sommige steden en
dorpen van ons goede land zijn geweest; wie ook weet, hoe daar door de-slopers-van-betekenis is huisgehouden, slopers,
onbekwaam tot enige fantasie, zal deze gemoedsgesteldheid begrijpen en billijken.
En ik meen dat het goed is dat wij, behoeders van geschiedkundige en aesthetische schoonheid, meer agressief gaan
optreden dan tot dusver. Heemschutters - ach, dat waren toch lieden die bezijden de werkelijkheid stonden, dromers,
naar mottenballen ruikende renteniers, die "men" schouderophalend voor "archeologen" schold. Toegegeven: de eerbiedige
bewonderaars van landschap- en stedeschoon waren niet de lui-met-de-grote-bek, de politieke marktschreeuwers en
vergadering-charlatans, demagogen van professie... Zij waren de stillen in den lande. Zij konden genieten van een
rustige landweg, een verdroomd steegje, een oude kerk, een patriciërswoonhuis, met blauwe stoep en paarse ruiten.
Zij hadden hun hart verpand niet aan het lawaai: de open knalpot, de autoclaxon, de honderd kilometer per uur - doch
aan wat groen, wat bloemen, een vogel, een mens. Ze hielden ervan om in kleine winkeltjes te snuffelen en te praten
met de winkelier over dit en dat; ze dronken een goed glas in een kleine herberg, zonder chroom en zonder lak, zij
zwierven maar wat en peinsden en luisterden naar de dansende klanken van een carillon. Misschien waren ze wel wat
wereldvreemd, het is mogelijk. Doch het waren gelukkige, rustige lieden, die het aards gewoel graag een beetje uit
de weggingen.
Géén strijders, O neen. Als ze het waren geweest dan was bijvoorbeeld Purmerend een juweel van een stadje
gebleven. Dan stond er aan het heerlijkste aller pleintjes, de Roode Steen te Hoorn, geen foeilelijke bioscoop. Dan
was de Grote Markt te Haarlem het schoonste plein van Nederland. Dan stond de Amsterdamse Oude Kerk, dat prachtige
monument, niet op instorten. Dan zou men, ondanks het advies van de Commissie voor de Wederopbouw, aan de Boulevard
te Egmond-aan-Zee géén lelijk café met drie verdiepingen durven bouwen... Ach, ge kunt deze
voorbeelden met tien-, met honderdtallen aanvullen. Oudheidminnaars wáren dromers, goedzakken, zij lieten over
zich heenlopen en een loopje met zich nemen. Zij peinsden alleen maar over wat geweest was, terwijl het leven langs
hen gleed...
Dat was funest. Want de dempers, de slopers, de ruilverkavelaars, de rechttrekkers en de platmakers droomden niet. Zij
sloegen en hakten toe. Onbarmhartig. Karakteristieke gevels vielen in puin, mooie poorten (0, Monnikendam!) werden
"geamoveerd", aardige kerkjes verdwenen uit het landschapsbeeld. Bomen werden gerooid, antieke boerderijen
"gemoderniseerd" (0, Beemster, met je schuren van golfijzer!). En instee van het verkeer om te leiden, veroorzaakten
zij, de rechttrekkers, bezeten door de macht van de naaktheid, "doorbraken", die menig schilderachtig dorpsbeeld tot
in de grond bedierven. Lintbebouwing, prutserige en protsige architectuur denatureerden een rustiek landschap tot een
staalkaart van lelijkheid, omdat de architecten vóóral wilden opvallen en zich niet ondergeschikt maken
aan de eisen en het karakter van de streek. Al deze dingen zijn gebeurd. En zij gebeuren nog, dagelijks. De verwoesters,
de mannen van snelheid en zakelijkheid, van koele logica en nuttig rendement, ze zijn in groten getale onder ons...
Nu echter is er een jongere generatie van schoonheidbehoeders opgegroeid, die de gezapigheid hunner voorgangers heeft
afgeworpen. Men mag ze practische idealisten noemen. Zij zijn niet blind voor de eisen van een moderne samenleving en
zullen de dagelijkse douche prefereren boven de Zaterdagse tobbe. Zij weten heel goed, dat men verplicht is voorzieningen
te treffen, ten einde de evolutie van het verkeer in goede maar verstandige banen te leiden. Géén
anarchistische ontwikkeling, doch een coördinatie van het transport, waarbij zorgvuldig moet worden afgewogen wat
kan en wat mag. Het opstellen van een wegenplan is het werk niet alléén van ingenieurs, maar ook van
architecten en kunstenaars, die de dynamiek van de tijd verstaan, maar ook weten waarom het gaat en wat voor grote en
onvervangbare waarden er op het spel staan. Men zal de verschillende en vaak tegenstrijdige facetten zéér
zorgvuldig tegen elkaar moeten afwegen, om tenslotte tot een constructief plan te komen, dat zowel cultureel, technisch
en economisch verantwoord is. Een moeilijk werk, maar de moeite waard.
Is dit een compromis? Men zou het beter een synthese kunnen noemen. Een synthese tussen de met ruime blik geziene eisen
van het moderne leven èn het behoud, herstel en verbetering van die stukken landschap- en stedeschoon, welke
een onvervangbaar cultuurbezit vormen. Wat zal het punt van uitgang moeten zijn? In elk geval staat voorop, dat het
verkeer ondergeschikt moet zijn aan de schoonheid, aan de cultuur en aan de historie! Verkeer kan men elke dag scheppen,
historische schoonheid niet. Historische schoonheid en historische figuren maken, evenals de kunst, iets "levend". Dat
wij bijv. ijveren voor het herstel van de pastorie in de Beemster, de plek waar Elisabeth Wolff de muzen heeft gediend,
is niet slechts het restaureren van een oud huis, het is in de eerste plaats hierom, omdat zónder Betje Wolff
de Beemster leeg zou zijn - even leeg als De Rijp zonder Leeghwater en Amsterdam zonder Rembrandt, om maar een voorbeeld
te geven. Het levend houden van het verleden is niet alleen een daad van piëteit, het is een werk dat verricht
moet worden in het belang van onze geestelijke, ja lichamelijke volksgezondheid. De sfeer waarin wij moeten leven, het
dagelijkse aanzicht van de dingen rondom, zal onze geestelijke en lichamelijke existentie bepalen. Steeds meer raken
de medische autoriteiten er van overtuigd, dat het een sociale taak is, de schoonheid van stad en land zo zorgvuldig
mogelijk te bewaren. Omdat kunst en schoonheid bij het neutraliseren en opheffen van de grote spanningen, die wij opdoen
in het moderne en vaak zo enerverende leven, factoren van de eerste orde zijn.
Practische idealisten. Géén halfzachte dromers, die van de werkelijkheid geen weet hebben. Doch die er
ook van doordrongen zijn, dat het bewaren van historisch schoon niet in de eerste plaats geschiedt ten bate van de
vreemdeling en zijn portemonnaie. Géén toeristenbedelaars! Behoedzame afwegers van belangen - waarbij
de publieke opinie niet gemist kan worden. Het tracé van wegen, de bouw van bruggen en viaducten, het leiden
van het verkeer dóór of om een stad, het zijn zaken die niet altijd met de liniaal ontworpen kunnen
worden. Móét de schoonheid al een veer laten - veren, die niet opnieuw aangroeien! - het verkeer dient
te beseffen dat het óók een veer zal dienen te laten door langzamer rijden, éénrichtingsverkeer
en parkeerverbod. En vooral door het besef, dat de synthese tussen de eisen van het moderne leven én van de
historische schoonheid niet toelaat het verkeer als dictator te erkennen.
Mogen de leden van de op 16 December 1954 opgerichte Culturele Raad Noord-Holland het bewijs leveren, practische
idealisten te zijn!