Archivering » De Speelwagen » 1954 » No. 7 » pagina 199-201
Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 7,
pagina 199-201.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: M. Zwaagdijk.
Hier volgt, wat een Zaankanter aan de Engelsman Johnson, die in die tijd Noord-Holland bereist,
vertelt:
Op de bruidstranen, of op de partij, die de bruid geeft, neemt zij van al haar vriendinnen een
plechtig en aandoenlijk afscheid; op een dergelijke partij worden ook door de bruidegom al zijn jonge
vrienden genodigd. Zelden gebeurt het, dat dit feest door de bruidegom en bruid gezamenlijk wordt
gegeven. Er zijn vaste dagen, waarop door de ouders van beide zijden of door de bloedverwanten of
peters maaltijden, hetzij aan hun huizen, hetzij in een herberg gegeven worden. Deze dagen zijn de
Zondag, de Dinsdag en Donderdag, de overige worden staddagen genaamd en zijn bestemd om naar
Amsterdam te reizen.
De bruiloft wordt gewoonlijk in een herberg gevierd; de bruidegom en bruid worden door hun
speelmakkers en door de strooier en strooister altijd vergezeld; de genodigden spreken iedereen
aan, dat is, zij halen iedereen van zijn huis af, als zo'n huis aan de weg ligt, waarlangs zij
gaan moeten en op deze wijze treedt de optocht plechtig en statig voort, terwijl alle woningen,
straten en bruggen met mensen van allerlei rang, ouderdom en sekse opgevuld zijn, om toch het bruidje
goed te kunnen zien.
Na de gelukwensen en na het nemen van enige verversingen plaatst men zich aan een welvoorziene dis.
Hier bespeurt men veeltijds de grootste mengeling van alle standen en daar de fortuin haar gaven op
een grillige wijze uitdeelt, gebeurt het niet zelden, dat een rijk koopman enige arbeiders en dagloners
onder zijn familie heeft, die, alsof zij schatten bezaten, met de grootste achting en genegenheid
behandeld worden; ook worden de buren zowel van de bruidegom als van de bruid, al zijn zij geringe
lieden, op het bruiloftsfeest genodigd en geëerd, evenals broeders en zusters, die tot hetzelfde
huisgezin behoren, welke handelwijze naar mijn gedachten de grootste lof verdient.
De speelnoot is hier de ceremoniemeester; hij heeft reeds lang een grote lijst opgemaakt, waarop alle
toosten, waarop gedronken moet worden en die voorwaar! niet gering in getal zijn, geschreven staan,
niemand wordt voorbij gegaan. Zonderling is het, dat, wanneer iemand van het gezelschap lust gevoelt
om te kussen, hij slechts met luide stem Zwik! behoeft te roepen, om aan deze opwellende
begeerte te kunnen voldoen, waarop alsdan de man zijn vrouw en de minnaar zijn beminde hartelijk
omhelst; doch roept hij: Zwik aan beide kanten! dan worden de vrouwen of meisjes aan de
linkerzijde eveneens zo hartelijk gekust, dat de zaal daarvan weergalmt.
Op het dessert (of zo men hier gewoonlijk zegt) op het nadessert wordt een bokaal of een grote
roemer opgezet, de speelnoot heeft een toepasselijk vers, dat door hem zelf of door iemand van zijn
goede vrienden is vervaardigd: hierop volgen nog enige andere gedichten, terwijl de beker gestadig
rond wordt gezonden; tussenbeiden zingt men uit de Liedeboeken met luide kelen even; voor men scheiden
gaat wordt het bekende lied Hoe zoet is't daar de vriendschap woont of iets van die aard nimmer
vergeten
Is het bruiloftsfeest meer plechtig en zijn er muzikanten aanwezig, dan wordt bij elke uitroep van
zwik of bij iedere plechtige toost, die ter ere van de bruidegom en bruid wordt ingesteld, lustig en
vrolijk gespeeld. Na de maaltijd gaan vele van de gasten naar huis om zich te verkleden; dit voorbeeld
wordt ook door de jonggetrouwden gewoonlijk gevolgd.
De overige tijd tot 's morgens vier, vijf of zes uur wordt onder het ronddienen van allerlei verversingen
en wijn vrolijk doorgebracht, ook wel eens met dansen. Doch het zingen van ouderwetse liederen, nu en
dan ook van psalmen of evangelische gezangen, gaat gestadig zijn gang en de stemmen worden meer uitgezet
naarmate de wijn zijn kracht begint uit te oefenen. Deze gelegenheid nemen de bruidegom en bruid gewoonlijk
waar om behendig weg te sluipen. Soms gebeurt het, dat de dienstboden en werklieden van de fabriek op
de overgebleven voorraad onthaald worden, waarbij de jonge echtgenoten tegenwoordig zijn moeten, hoe
weinig dit ook met hun keuze overeenstemt.
Terstond na 't voltrekken van het huwelijk gaat de bruid met haar bruidegom zes weken in het huis van
zijn ouders logeren; als deze verlopen zijn, neemt de bruidegom gedurende even zoveel weken bij de
ouders van de bruid zijn intrek. Dit schijnt tot oogmerk te hebben, om hen in de familie in te lijven
en ook voornamelijk om elkander door dagelijkse omgang recht te leren kennen.
Nu is de tijd daar, dat de kostbare boe1gaven aan de jonggetrouwden worden uitgereikt, die bij
de vermogenden van veel belang zijn. Tot deze uitzet behoort ook een doodskleed; en evenals de Egyptenaren
bij hun prachtige maaltijden het geraamte van een afgestorvene plaatsten, opdat de levenden zelfs in
het midden van hun vreugde aan hun dood zouden denken en zich voor alle buitensporigheden zouden wachten,
zo is het hier een lofwaardige gewoonte, dat aan de jonge echtgenoten bij de aanvang van het huwelijk
dit kleed des doods plechtig wordt overhandigd, opdat zij door hun genoegens en liefde verblind en
verbijsterd niet vergeten zouden, dat zij sterfelijke mensen zijn.
M. Zwaagdijk †