Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1954 » No. 7 » pagina 195-198

Schager plaatsnamen

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 7, pagina 195-198.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: G. Karsten.

In de Chronyk van de gantsche oude Heerlijkheid van het dorp Schagen, door D. Burger van Schoorel (ed. 1767), worden op blz. 28 onder het hoofd „Schagens Gehugtens” enige merkwaardige toponiemen vermeld, waarbij ik hier een ogenblik wil stilstaan. Laat mij echter eerst even meedelen, hoe de auteur de plaatsnaam Schagen verklaart. „Van waar dat Schagen zijn naam heeft gekregen, is dit 't gevoel, dat den oorspronk des naams afkomt wegens de meenigvuldige Cagen die onder het District van het Dorp Schagen leggen” (blz. 5). En op de volgende bladzijde legt hij dit op zijn manier nader uit. „Immers hebben over meer dan 30 jaaren heele oude menschen gesproken, die my verhaalden, dat haare Ouders en Voorzaten meenigmaal op die wateragtige Cagen lagen met haar lange Lijnen, om de wilde vogels die op de Waart buiten Dyk in de Wier waren asende, en van daar na het binnen water quamen te drinken, als dan wierden gevangen; welk water nu tegenwoordig beheid zynde, al tot droog Land is geworden, en zoo meenen zommige dat den naam uit dien oorzaak is gegeven, als dat men nu in plaats van Cagen, metter tijd met byvoeginge van den S in de spelling genaamt heeft Cagen, Scagen, en daar na Schagen.”

Dat dit hocuspocus-taalkunde is, zal men aanstonds begrijpen. Voor de juiste verklaring zij verwezen naar mijn boek Noordhollandse Plaatsnamen (blz. 72). De Schager toponiemen die ik thans wil bespreken zijn: d'Sneeve, d'Miede, d'Lolle-breg, Meeneweg, 't Zuege-buurtje, d'Haaler, Ouwe-dik, Prigge-dik en Muggenburg.

Vooreerst dan d'Sneeve. Het woord is vermoedelijk verwant aan woorden als snebbe, snebel, snava, die alle door Kiliaen worden vermeld en dat als toponiem de betekenis kan hebben van „vooruitspringende punt land”. Men zou dan een soortgelijke overgang van betekenis hebben als bij nes, dat met neus samenhangt. Ook de redacteur van het Mnl. Wdb. (VII, 1383) wijst in deze richting, als hij bij het woord snabbe, hetzelfde als snavel, het volgende schrijft: „Het woord is ook in eene overdrachtelijke betekenis in gebruik geweest”. De auteur vermeldt dan een paar teksten uit de Rekeningen van Brielle van 1490 en gaat aldus verder: „De beteekenis blijkt niet duidelijk; waarschijnlijk zal door het woord zijn Uitgedrukt de eene of andere vooruitspringende punt in het land, b.v. een bruggenhoofd.”1

Van dit sneeve heeft men later snevert gemaakt met behulp van het suffix-ert, een verzwakte vorm van aert dat men meermalen in toponiemen aantreft en dat de betekenis kan hebben van „aard, hoedanigheid”. Heden ten dage komen in Schagen nog voor de korte en de lange Snevert, èn als wegnaam èn als waternaam.

Vervolgens d'Miede, thans de Miede, een straatnaam. De verklaring van deze naam biedt geen moeilijkheden. Immers miede is de echte Noordhollandse vorm van het Friese mêde. Ook in de Zeevang komt het woord voor in de naam van een buurt Ter Mied en op de kaart van de Uitwaterende sluizen van het Hoogheemraadschap van Kennemerland en West-Friesland vindt men tussen Edam en Warder de Noorder Mieden, Zuider Mieden en Ooster Mieden. Hiernaast kende men in Noord-Holland eertijds ook de vorm made (o.a. in Winkelmade2) en in de Maadweg in de ban van Heemskerk. De gewone betekenis van dit made-mêde-miede is weiland, hooiland.

d'Lollebreg is waarschijnlijk een samenstelling van de persoonsnaam Lolle en het Noordhollandse breg. Joh. Winkler vermeldt het woord in zijn Friese Naamlijst (blz. 241) en schrijft er bij „Lolleburg, geh. bij Schagen in West-Friesland”. Of deze naam te Schagen nog voorkomt, is me niet bekend. Wel weet ik dat men er thans nog het „Lollebruggerwegje” kent.

Meeneweg, thans de Menisweg genaamd, is een doorzichtige naam. De betekenis er van is „gemene, openbare weg die iedereen begaan mag”.3

Van 't Zuege-buurtje valt wat meer te zeggen. De verklaring van de naam is niet moeilijk, want veldnamen met het woord zeug zijn er in Noord-Holland genoeg. Ik herinner slechts aan het Oudwaterlandse Seugheland, het Zeugdijkje bij Schoorl en in de polder Ursem, de Zeugakker (gem. Harenkarspel) en de Zeugweid (gem. Warmenhuizen). Ook het simplex de Seug komt voor als naam van een zandplaat ten noorden van Wieringen en van een plas tussen Opperdoes en Oostwoud.

't Grappige van het geval is nu, dat het Schager Zuegebuurtje zich thans voordoet als Zeegebuurte. Nu is het woord zeug ook niet bepaald een woord dat het oor streelt. Vandaar wellicht deze merkwaardige wijziging. Een soortgelijk geval hebben we met het Haagse Schedeldoekshaven. De vroede vaderen van Den Haag vonden dit blijkbaar heel wat netter dan Scheteldoekshaven, dat men in Alkmaar en Uitdam maar heeft gehandhaafd. De heer F. Kerdijk, die in 1935 een werk heeft gepubliceerd, getiteld Haagsche Straatnamen schrijft bij de naam Schedeldoekshaven het volgende: „Verbastering van Scheteldoekshaven. In de nabijheid waren veel wasscherijen, waaraan de haven waarschijnlijk haar naam ontleent, want scheteldoek beteekende omwaschdoek; thans in het Friesch nog skiteldoek, in het Twentsch schuddeldoak”. Toen ik dit las, heb ik mijn ogen eens uitgewreven. Immers het Friese skiteldoek betekent helemaal niet omwasdoek, maar luier; het woord is een afleiding van het oude woord schiten, het hedendaagse schijten.
De schrijver heeft skiteldoek verward met skutteldoek, dat in de Noordhollandse volkstaal bekend is als omwasdoek, letterl. schotel-, dialectisch skutteldoek.

Een moeilijker naam is d'Haaler, thans Hale. D. Burger van Schoorel geeft er de volgende verklaring van: „Nog was er een Jan, die maakte met zijn volk een hoogte, en riep dagelijks als zij aan 't werken waren, haal, haal mijn kinderkens haal, ik zal 't u wel betaalen; werd tegenwoordig nog de haalen genaamd...” Ik heb weinig vertrouwen in deze verklaring en zou liever de volgende willen voorstellen. Wellicht is d'haaler een samentrekking van het ofri. halfdel, haldel, hadel en het suffix -er. Oorspronkelijk waren het stukken land, waarvan de helft van de opbrengst der vruchten voor de landheer was.4 Ook had men eertijds in West-Friesland halige sloten, waarvan het woord halig een samentrekking is van halfdelig. Dit waren sloten, die voor de helft aan de van weerszijden aangelanden toebehoorden.5

Behalve de Ouwe-dik, die we ook kennen tussen Zwaag en Westwoud, noemt de schrijver de Prigge-dik, een naam waarvan de verklaring allesbehalve voor de hand ligt. Ik doe dan ook slechts een gissing. Zou men het eerste lid in verband moeten brengen met het mnl. znw. prijch of met het ww. prigen, dat „strijd, strijden” kan betekenen? In dat geval zou men het woord in verband kunnen brengen met veldnamen als Kijfland, Kibbelaar, Krakeelakker e.a. Of moet men denken aan het fri. prikke, afgesneden of afgevallen twijg, dat voorkomt in een woord als prikkebrêge, brug van boomstammen en takken? Misschien kan iemand die goed op de hoogte is van de geschiedenis en de geografie van Schagen mij hier de behulpzame hand bieden.

We besluiten deze reeks met Muggenburg, dat doet denken aan een benaming als het Miggenland onder Zwaagdijk.

G. Karsten

1 Zie M. Schönfeld, Veldnamen in Nederland (2de dr., blz. 121).
2 Zie S. Eikelenberg, Alkmaar en zijne Geschiedenissen (ed. 1747, blz. 28).
3 Zie W.N.T., IV (1362).
4 Zie Middelnederlandsch Woordenboek, III, 43.
5 Zie Middelnederlandsch Woordenboek, III, 45.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.