Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1954 » No. 4 » pagina 112-122

Alkmaar in de glans van „de Gouden Eeuw”

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 4, pagina 112-122.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

Huizinga in zijn schets van Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw (Haarlem, 1941) vertelt aan het einde hiervan hoe P. L. Muller aan zijn in 1897 verschenen uitvoerige en gedegen beschrijving van De Republiek der Vereenigde Nederlanden in haar bloeitijd op verzoek van de uitgever de hoofd-titel „Onze Gouden Eeuw” gaf. Die naam, zegt Huizinga, deugt eigenlijk niet. „Als ons bloeitijdperk een naam moet hebben, laat het dan zijn naar hout en staal, pik en teer, verf en inkt, durf en vroomheid, geest en fantazie. Gouden eeuw zou beter passen bij de achttiende eeuw, toen het goud gemunt in de geldkisten lag.” Inderdaad de zeventiende eeuw was allerminst een tijd van gezapige rust of van rustige welvaart.

In de worstelstrijd met Spanje vond de jonge staat zijn eigen vorm, werd zich bewust van zijn kracht, maakte zich vrij en breidde zijn invloed uit tot in alle hoeken der aarde. Het is een tijd van gisting en strijd, van ongekende activiteit, van ondernemingslust, van durven en doen en ontdekkingen.

Voor de ontwikkeling van de stad Alkmaar is deze grote tijd uiteraard ook zeer belangrijk geweest. Allereerst heeft hij een blijvend stempel gedrukt op het uiterlijk van de stad.
Tegen het einde van de zestiende eeuw had de stad binnen de door de vestingbouwkundige Adriaen Anthonisz. gemoderniseerde omwalling haar definitieve vorm gekregen, waarvan de prachtige kaart van Drebbel ons het aantrekkelijk beeld bewaart. De zeventiende eeuw slijpt, polijst en omlijst dit beeld. Uit stedebouwkundlg oogpunt beschouwd, toonde het uiterlijk van de stad toen een veel groter eenheid dan nu. Een stad was vroeger, in de omvatting van haar wallen, waarbuiten zich nog geen rommelige voorsteden uitstrekten, een in zichzelf afgerond geheel. De stadstoegangen, de poorten, die de eerste indruk bepaalden, welke de vreemdeling van de stad kreeg, hadden te Alkmaar de volle aandacht van het stadsbestuur.

Na het beleg, zodra in deze streek weer rustiger toestanden zijn ingetreden, verrijzen geleidelijk de nieuwe stadspoorten: de Nieuwlanderpoort al onmiddellijk na 1573, de Boompoort in 1581, de Geestpoort en Friese binnenpoort in 1589, de Waterpoort in 1595, de Friese buitenpoort in 1616, de Kennemerpoort in de jaren 1630-1632 en tenslotte de Schermerpoort in 1661.

Ook het stadsbeeld binnen de wallen werd regelmatig verfraaid. Het waaggebouw kreeg nog vóòr het einde der zestiende eeuw zijn fraaie, kleurige façade aan de waterkant en als bekroning zijn vrolijke toren.

Gezicht op Alkmaar's oudste deel met Sint Laurenskerk en Stadhuis.
Gezicht op Alkmaar's oudste deel met Sint Laurenskerk en Stadhuis.
Fragment van de door Corn. Drebbel gegraveerde kaart, 1597.
Kaartverzameling den gemeente Alkmaar.

Het is de Hollandse renaissance in haar volle bloei, die aan dit en andere bouwwerken fleur en glans verleent. Veel daarvan is helaas verdwenen, zoals het Weeshuis aan de Nieuwesloot en het Pesthuis aan de Paternosterstraat, waarvan in het Stedelijk Museum nog slechts de aardige gevelstenen worden bewaard. Van de beide Stadsdoelen, in de daarnaar vernoemde straat broederlijk bijeenstaande, de Oude Doele van 1605 en de Nieuwe van 1618, is alleen de laatste staande gebleven. Verdwenen is helaas ook het stadswapenmagazijn, het zgn. artilleriehuis, dat eens dezelfde straat sierde. Gespaard bleef gelukkig het aardige Accijnshuis, dat in 1622 zijn torentje met uurwerk kreeg. En nog mag Alkmaar zich verheugen in het bezit van vele mooie gevels uit de zeventiende eeuw, de huizen met de sierlijke trapgevels, waarvan de oude baksteen wordt opgefleurd door de natuurstenen versieringen en lijsten en waarin we die vaak zo geestige en grappige gevelstenen kunnen bewonderen.

Alkmaars vroede vaderen beperkten hun zorgen niet tot de stad binnen de wallen. Reeds in 1607 begon men buiten de Kennemerpoort met de aanleg van een stads-plantage, de Alkmaarder Houten, om aldus een oord te scheppen, waar de stedelingen zich konden verkwikken en ontspannen. In de loop der eeuw ontstond hier een bekoorlijke wandelplaats, waarover ook vele vreemdelingen hun bewondering hebben uitgesproken.

Een goed voorbeeld, juist ook voor deze tijd, gaf het stadsbestuur in 1673. Men had in het voorafgaande jaar, het rampjaar 1672, reeds de Stadshouten – aldus vertelt ons de latere stadsbaas en stadshistorieschrijver Simon Eikelenberg – van de zware bomen ontbloot „om op de aankomst van de vijand te beter uitzigt te hebben, of om 't gemeene volk op een sprong aan 't muiten, in een neringlooze ledicheit, bet in toom te houden ...” Maar nu liet men onmiddellijk daarna de Houten met jonge bomen beplanten en breidde zelfs op enige plaatsen de Stadsplantage wederom uit.

Maar men zou van de vroede vaderen van die tijd toch een te eenzijdige indruk krijgen wanneer men bij hen de belangstelling voor het uiter lijk van de stad en voor het natuurschoon op de voorgrond zou willen plaatsen. Primair was zeer stellig de zorg voor het economische leven.

De stedelijke handeldrijvende stand drukt het stempel van burgerlijkheid op onze gehele zeventiende-eeuwse beschaving. Ook de Alkmaarse regenten werden allereerst gedreven door de zorg voor de economische belangen. Waar deze in het geding kwamen werden de heren regenten onmiddellijk actief. Bij de meestbelangrijke bedijkingen en droogmakerijen in het gehele Noorderkwartier was Alkmaar betrokken, zo van de Zijpe, Beemster, Starnmeer, Heer-Hugowaard en Schermeer. Van deze laatste polder bijv. kwam en bleef een aanzienlijk deel onder de jurisdictie van de stad. Maar ook buiten de stadsjurisdictie breidde Alkmaar haar invloed uit door eigendomsrechten te vestigen of onderhoudsplichten op zich te nemen van wegen, bruggen, sluizen, dammen, dijken, kaden, molens, overtomen, tollen en vaarten. Overal waar zij het verkeer naar de stad kon bevorderen en veilig stellen stond zij op de bres voor aanleg, verbetering en behoud van de daarvoor belangrijke objecten. Zo verkreeg de stad o.a. gehele of gedeeltelijke zeggenschap over de Voorterweg en de Voorter- of Vloysbrug tussen Limmen en Castricum, de Herenweg en de Breelaan onder Oudorp, de Twuyverweg tussen St. Pancras en de Langendijk, de Trekvaart naar De Zijpe, de Trekvaart naar Hoorn.

Door deze daadwerkelijke medewerking aan het scheppen van nieuw land, dat weldra allerlei producten ging opleveren; door het tot stand brengen van goede verbindingen met de stad, bevorderde men het marktwezen, waarop een groot deel der stedelijke welvaart steunde. Wij constateren dan ook juist in deze eeuw een grote opbloei van de markten op allerlei gebied.

Op 23 en 24 Juni 1600 bijv. werden 400000 ponden kaas ter markt aangevoerd. En voor het jaar 1679 vinden we genoteerd – wederom door Simon Eikelenberg – „de Alkmaarsche weekmarkt, die gemeenlijk aanvang neemt Vrijdags omtrent den middag en een einde op den middag van den Saturdag, die er op volgt, leverde den drie- en den vierentwintigsten der bovengemelde maant (Juni) aan de waagschalen een menigte van vijfmaal hondert duizent ponden kaas, dewelke doe verkocht wiert voor tien, twaalf, dertien en veertien gulden 't hondertpont”.

Maar ook voor de andere aspecten van het economische leven had het stadsbestuur oog, met name voor de industrie. Talrijke takken van nijverheid komen op in de zeventiende eeuw; vele nieuwe uitvindingen worden op dit gebied gedaan, oude methodes verbeterd, geheel nieuwe gevonden en toegepast. De steden wedijverden vaak met elkander om zulke nieuwigheden tot zich te trekken. Uitvinders speelden vaak de ene stad tegen de andere uit om te zien, waar men het meeste profijt bood. Alkmaar kan er op bogen, dat op het noordoostelijk bolwerk (de bolwerken waren geliefde plaatsen voor molens) in 1604 de eerste windoliemolen verrees, opgericht door Lief Jansz. Andries van Moerbeek. In 1608 stelde het stadsbestuur voor de bekende damastwever Paschier Lammertijn een atelier beschikbaar in 't gasthuis. Op 9 December 1617 kreeg zekere Lourens Jansz. octrooi voor 't bakken van geleischotelen, apothekers- en gesierde potten.
De stroom van Zuidnederlanders, die sedert de val van Antwerpen uitweek naar het noorden, bracht ook aan Alkmaar veel nieuwe bewoners, die hier als gist hebben gewerkt en nieuw leven, nieuw bloed, frisse ondernemingslust en bezieling hebben gebracht.

Behalve de juist genoemde Paschier Lammertijn ontmoeten we te Alkmaar Caspar de Benoist, Laurens de Coninck en nog andere damastwerkers, die op 31 October 1610 ten overstaan van een notaris komen verklaren, dat zij in hun jeugd te Cortrijck bij Paschier Lammertijn „die konste” hadden geleerd, welke dus niet pas geïnventeerd, maar reeds overlang in gebruik geweest is.

Een andere Zuidnederlander, die hier heeft gewoond, was de beroemde Isaac le Maire, afkomstig uit Doornik. Bakhuizen van den Brink wijdde een bekend opstel aan deze veelzijdige en geniale grootkoopman en grootreder. In de Ned. Herv. kerk te Egmond-Binnen is hij begraven onder een zerk met het merkwaardige opschrift: „Hier leijt begraven Sr. Isaac le Maire, coopman, die gedurende sijn handelingen op meest alle die quartieren van de weerelt van Godt den Heere soo rijckelijck gesegent is geweest, dat hij in 30 jaren tijts (behoudens eer) verloren heeft over de 1500000 guldens. Is in den Heere gerust op den 20en Septembris anno 1624.”

Dezelfde motieven, gebaseerd op de zucht naar handelsvoordelen, zijn zeer zeker in het spel wanneer Alkmaar in 1604 de eerste stad is, die voor de Portugees-Joodse kooplieden haar poorten opent. Zo, vestigen zich hier in de eerste helft der zeventiende eeuw vele zgn. Marranen. Een paar hiervan treffen we op 28 December 1639 aan bij de Alkmaarse notaris Cornelis van der Heck t. w. Gaspar Rodriguez, die Sr. Franciscus Rodriguez de Payevaer machtigt zijn zakelijke belangen in Frankrijk, Portugal en elders te behartigen en met name van zekere Duarti Hill te „Lisbonoi” (Lissabon) goederen uit Indië te vorderen.
De uit de Muiderkring bekende Francisca Duarte, „de Fransche nagtegael” behoort tot deze kringen en woonde eveneens te Alkmaar; zij was gehuwd met Franciscus Ferdinandus de Pas.

Maar zal men wellicht vragen: was de meerderheid der bevolking en de meerderheid in het stadsbestuur dan niet streng-calvinistisch en gekant tegen alzulke concessies?

Wij beschikken niet over nauwkeurige statistische gegevens uit die tijd, maar we weten toevallig, dat de Hervormde gemeente in Alkmaar nog in Januari 1587 slechts 159 mannelijke en 281 vrouwelijke lidmaten telde en dat bij een totaal bevolkingscijfer, dat voor Alkmaar omstreeks die tijd ca. 5000 zal hebben bedragen. Hoewel de Hervormde gemeente sedert snel is gegroeid, zullen de Calvinisten in de zeventiende eeuw stellig nimmer de numerieke meerderheid hebben gehad. Wel kan men zeggen dat ze als aanhangers van de enige in het openbaar toegelaten religie over grote machtsmiddelen beschikten. Onder de stedelijke regenten waren uiteraard vele aanhangers der gereformeerde religie, maar toch dansten zelfs deze, waar het om economische belangen der stad ging, lang niet altijd naar de pijpen der Hervormde predikanten. Evenals in andere steden, met name Amsterdam, zien we ook te Alkmaar in de magistratuur vele gematigden en verdraagzamen.

De kracht der Hervormde partij werd bovendien gebroken door veel onderlinge twist en verdeeldheid. De strijd tussen Gommarus en Arminius bracht ook te Alkmaar veel beroering, waarvan talrijke pamfletten getuigen. Reeds in 1610 bereikte de strijd te Alkmaar haar hoogtepunt in de hevige twist tussen de Contra-Remonstrantse predikant Cornelis van Hille (Hillenius) en zijn collega Adolphus de Jager (Venator). De Remonstrant Venator werd door de classis Alkmaar geschorst, maar merkwaardigerwijze door de vroedschap en de Staten van Holland gehandhaafd. Hillenius werd door diezelfde vroedschap op 17 Juli 1610 eenvoudig afgezet! Toen later door toedoen van prins Maurits de bordjes werden verhangen en de ContraRemonstranten weer de boventoon konden voeren en de regering werd omgezet, moest Venator de wijk nemen: hij week in 1618 uit naar Parijs.

Aan de Katholieken was de openbare uitoefening van hun godsdienst verboden. In de eerste tientallen jaren van de Tachtig-jarige oorlog, de tijd der zgn. „troubles”, waren velen van de moederkerk vervreemd, vaak doordat de herders hun kudden in de steek lieten, nog meer omdat voor een geregeld kerkelijk leven voor de Katholieken geen gelegenheid meer bestond.

Merkwaardig is het in deze omstandigheden, dat in brede lagen van de bevolking, ook al was deze vervreemd van de Katholieke eredienst, vele oude goed-Roomse gebruiken in zwang bleven en in ere werden gehouden. En dat ondanks herhaalde bestrijding van de zijde der Hervormde predikanten en ten spijt van door deze uitgelokte verbodsbepalingen van de overheid. Zo werd op 1 Maart 1601 van hogerhand verboden om op St. Nicolaasavond, met eetwaren, snoeperij of poppegoed op enige plaats te koop te staan, als zijnde een overblijfsel van het oude bijgeloof.

In het jaar 1606 klaagde de Hervormde kerkeraad, dat „groote dertelheit, superstitie en afgoderie gepleecht (werd) op S. Jansdach met ophangen der croonen, om dewelcke de kinderen eten, dansen, looveren dragen ter eere van St. Jan”. De kerkeraad verzoekt de regering dit tegen te gaan. De regering antwoordt nogal laconiek: „voornemens te zijn eenige der voornaamsten uit wier huizen kroonen hangen te gebieden die in te halen”.

Al voor het einde der zestiende eeuw, maar intensiever in de loop der zeventiende eeuw, begint in den lande en ook te Alkmaar, wat Fruin in een bekend artikel, verschenen in 1894, noemt, „de wederopluiking van het Katholicisme”. Reeds in 1592 waren er te Alkmaar paters Jezuïeten werkzaam. Omstreeks 1640 bezaten de Jezuïeten enige huizen, waarvan er een tot kerk was ingericht in de Maria Magdalenastraat (of Schapensteeg). Van deze statie is overigens weinig bekend, daar haar archieven verloren zijn gegaan.

In 1609 werd door de seculiere geestelijke Henricus Loeffius, door de Apostolische vicaris Sasbout Vosmaer naar Alkmaar gezonden, de statie St. Matthias opgericht, die haar eerste godsdienstoefeningen hield in het huis „Het blaeuwe Paert” aan de zuidzijde van de Langestraat.

Een tweede statie der seculieren (St. Laurentius) werd in 1613 gevestigd ten huize van Sijmen Jacobsz. Boom, op de Laat (later door aankoop vergroot, nu terrein van de St. Dominicuskerk).

De paters Dominicanen kwamen hier in 1619. Hun statie (St. Dominicus) was eerst gevestigd op de Lindengracht in de brouwerij „Het Roode Hart”, naast de herberg „Het Gulden Vlies”. Deze statie belandde na veel omzwervingen tenslotte ca. 1650 in een pand aan de Baangracht.

Een vijfde statie werd hier gevestigd in 1622 door de Minderbroeders (Statie St. Franciscus). De Minderbroeders hadden aanvankelijk geen vaste kerk, eerst in 1764 zetelen ze in een gedeelte van de herberg „De Gulden Kroon” in de Schoutenstraat. Later werd dit perceel met enige aangrenzende huizen tot kerk verbouwd.

Het stadsbestuur liet zoveel mogelijk de godsdienstoefeningen oogluikend toe, maar toch zien we herhaalde malen, dat, zoals het heet „tot ruste ende vrede van tgemeene beste ende verstroijnge van de pertubateurs van de goede politie, welstand ende ruste vande gemeente” gewapenderhand werd opgetreden om „te ontdekken de vergaderingen in dewelcke eenige missen ofte andere exercitiën van de pauselijke superstitiën werden gedaan en gepleecht.”

Vooral in de dertiger jaren lezen we herhaaldelijk van invallen in schuilkerken. De straffen bestonden in lang niet malse boeten. Zo werd tegen Willem Jansz. Camay en mr. Jan Hosius op l5 Januari 1636 vijftig maal ƒ 25 boete geëist, omdat zij zich op 6 Januari d.a.v. borg hadden gesteld voor vijftig personen, op die dag aangetroffen ten huize van zekere Peet IJff.

In het algemeen kan men echter zeggen, dat de stedelijke regering, de Katholieken – en evenzo de Luthersen, Remonstranten en Doopsgezinden – steeds meer met rust liet. Vooral na 1640 worden herhaaldelijk admissiën voor R.K. priesters door de stadsregering verleend.

Anderzijds hield men ook de Herv. predikanten te vrind, o.a. merkwaardig genoeg door hen nu en dan ten stadhuize te onthalen. Zo vonden we genoteerd in 1661 „den 21 Februari hebben de regeerenden Heeren Burgemeesteren in de ... Princekamer getracteert de vier Predikanten der Gereformeerde kerck van Alckmaar, den Rector en twee secretarissen met haeren respectiven vrouwen; sijn seer vrolijck geweest”.

Het is niet wel doenlijk alle aspecten van het leven in het zeventiende eeuwse stadje onder de loupe te nemen. Wij willen toch enkele figuren kort laten poseeren, die voor die tijd karakteristiek zijn.
Op 't gebied der wiskunde en toegepaste natuurwetenschappen treden ons omstreeks 1600 tegemoet de figuren van Adriaen Anthonisz. en zijn zonen genaamd Metius.
Adriaen Anthonisz, landmeter „mathematicus van Oranje”, fortificatiemeester, leiding gevend bij de aanleg van vestingwerken: Utrecht, Kampen, Tiel, de Schenkenschans, Harderwijk, de Bourtange, Enkhuizen, Deventer, Gorcum, Harlingen. „Sterckteboumeester der Vereenichde Nederlanden”, van wiens hand diverse geschriften verschenen, zo over de berekening van de waarde van π („de verhouding van Metius”), de berekening van de poolshoogte, de uitspraak van grote getallen, enz.

Zijn zoon Adriaan Metius trok met zijn stadgenoot Willem Jansz. Blaaeu (de later beroemde cartograaf) voor de beoefening van de astronomie naar Tycho Brahe en werkte in diens observatorium op het eilandje Hveen; later na zijn studie te Jena en Rostock te hebben voortgezet, wordt hij professor, excusez du peu, in wiskunde, zeevaartkunde, landmeet- en vestingbouwkunde en astronomie te Franeker. Hij liet vele geschriften op deze gebieden na.

Een broeder van Adriaen, Anthonie, werd in 1608 „mathematicus van de Staten” en maakte ook kaarten, o.a. van Texel.
Nog weer een andere broer was Jacob Metius, „de groote brillemaker”, zoals – wel een bijzondere onderscheiding – achter zijn naam staat in het begraafboek van de Grote Kerk. De Franse geleerde Nicolas de Pereisc, schrijft op 26 Januari 1634, tien jaren na de dood van de brillemaker en lenzenslijper, aan Galilei in het bezit te zijn van een der eerste verrekijkers, „dell'innocentissimo et sottilissimo S. Giacomo Hadriensem Metio Alemariense”.

Een veel omstreden figuur was en is nog de vermaarde werktuigkundige en uitvinder Cornelis Drebbel. In 1590 leert hij bij Hendrik Goltzius, het graveren. Dat hij deze kunst goed onder de knie kreeg, daarvan getuigt o.a. de bekende plattegrond van Alkmaar, in 1597. Hij huwde met een zuster van Goltzius, doch deze dame kreeg hij niet onder de knie, want haar verkwistende levenswijze werd oorzaak van zijn levenslange armoede. In 1602 verwerft Drebbel een octrooi van de Staten op een inventie om schoorstenen beter te doen trekken, voor een „altijd-loopend” uurwerk en voor een soort waterpomp. Omstreeks 1605 is hij in Engeland en blijft daar jarenlang werkzaam aan het hof van Jacobus I, vervaardigt kunst- en vliegwerken voor toneelvoorstellingen, knutselt nog immer aan een „perpetuum mobile” en houdt zich bezig met de vervaardiging van automatische en hydraulische orgels. Na een intermizzo van drie jaren, 1610-1613, doorgebracht aan het hof van Rudolf II te Praag, keert hij naar Engeland terug en fabriceert explosiemiddelen voor de marine, branders e.d.; ook een waterdichte boot om onder water te varen (was dit de eerste duikboot, vond hij de „zuurstof” uit?). Op 't laatst van zijn leven had hij bemoeiingen met droogmakerijen in Norfolk en Suffolk. Hij blaast zijn laatste adem uit als houder van een bierhuis aan de Theems.

Een andere merkwaardige figuur was Claes Cornelisz. de Wit, bijgenaamd Scapecaes. Van jongsaf voer hij ter zee en leerde de handel op de Levant kennen. In 1611 besluit hij tot een pelgrimage naar het Heilige Land en inderdaad bezoekt hij in Februari 1612 de heilige plaatsen aldaar. In 1620 komt hij te voorschijn met avontuurlijke voorstellen aan de koning van Denemarken, t.w. om met twee schepen een onderneming te doen op de havens in Turkije, waar hij voorspiegelde door handeldrijven ettelijke millioenen gouds te veroveren. Voorts om met acht schepen de ganse Turkse vloot te vernietigen, Algiers te plunderen en de Grieken van de Turkse heerschappij te verlossen. In hetzelfde jaar 1620 werd hij echter op last van de Gecommitteerde Raden door de schout van Alkmaar gevangen genomen, volgens Hugo de Groot, omdat hij met Spanje heulde. Om die reden werd hij tenslotte uit Holland verbannen. Op 3 November 1621 doet hij met zekere God. de Hornes de koning van Frankrijk het voorstel La Rochelle in te sluiten en te beschieten vanaf in zee aan te leggen hoofden. Dit plan wordt niet aanvaard. Maar de val van de stad in 1628 was te wijten aan een grote, in zee gelegde dam, door Richelieu voor zwaar geschut opgeworpen! Met zekere Bulotti poneert hij een plan voor een grote compagnie van navigatie in Frankrijk. De bewindhebbers van onze O.I.C. krijgen de schrik om het hart, met gevolg, dat de Staten van Holand op 21 December 1626 besluiten onze ambassadeur in Parijs op te dragen alle pogingen daartoe te verijdelen. Op 31 October 1637 sluit Scapecaes een contract met de Heilige Stoel tot drooglegging en in cultuurbrenging der Pontijnse moerassen. Wij weten, dat deze drooglegging eerst onder Mussolini een feit is geworden. Op 3 Augustus 1639 maakt hij met de regering van Genua een overeenkomst tot het bevolken en bebouwen van vruchtbare, maar ongebruikte gronden op Corsica. In datzelfde jaar echter achterhaalt de dood deze rusteloze plannenmaker in Padua.

Een rustiger figuur is de Alkmaarder Wollebrand Gelijnsz. de Jonghe, van nederige afkomst, die meer dan 25 jaren de O.I.C. diende, achtereenvolgens als koopman, raad van Indië, opperkoopman, vlootcommandeur en directeur van de handel op Perzië. Nadat hij in 1644 een retourvloot van twaalf geladen schepen behouden naar Patria terug had gevoerd vereerden hem de Heren Zeventien met een gouden ketting met erepenning ter waarde van 600 gulden, een onderscheiding welke tussen 1625 en 1677 slechts vier maal verleend werd.

De Alkmaarder Cornelis van der Lijn bracht het bij de O.I.C. van onder-koopman tot gouverneur-generaal. Als zodanig sloot hij in 1646 en 1649 vrede met inlandse vorsten en dempte in 1648 een hevige opstand op Amboina. Na zijn terugkeer in Patria was hij te Alkmaar van 1668 tot aan zijn dood in 1678 vroedschap en meermalen burgemeester.

In zulke figuren openbaart zich die drang naar ontwikkeling, naar actie en naar nieuwe ontdekkingen, welke dit kleine land groot heeft gemaakt en het macht en invloed verschafte tot in alle uithoeken van de toen bekende wereld.

 

De Speelwagen 1954, No. 4, pagina 136

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.