Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1954 » No. 4 » pagina 98-100

Het Alkmaarse stadsrecht

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 4, pagina 98-100.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: H. P. H. Camps.

„De hoeksteen der stad” is in een van de laatste afleveringen van dit tijdschrift het handvest van 1254 genoemd. Stellig niet zonder reden, maar in welke zin kan men dit stuk de hoeksteen noemen? Dat de historische betekenis van het stedelijke handvest groot is geweest, kan men aannemen, maar wat precies deze betekenis is geweest, daarop kan men niet een zo duidelijk en afdoend antwoord geven, als men wensen zou. Daarvoor zouden wij de historische achtergrond moeten kennen en van de geschiedenis van Alkmaar in de dertiende eeuw weten we zo ongeveer niets, evenmin als van die van de andere Hollandse steden trouwens. Men zou nu, gezien de uitvoerigheid van het stuk, kunnen veronderstellen, dat het zichzelf wel zou verklaren, en dat het zelfs als een bron voor de geschiedenis van de stad zou kunnen worden beschouwd. Maar dit is niet het geval. Niet alleen zit er nog heel wat problematiek in de dertiende-eeuwse rechtsgeschiedenis, het staat ook vast, dat het recht van Alkmaar van vreemde oorsprong is en dus niet zonder meer plaatselijke toestanden kan illustreren.

Dat een stad het recht van een andere overnam is in de Middeleeuwen een bekend verschijnsel, waarvoor de moderne historici de term filiatie hebben gevonden. Zo is in Brabant Leuven de moederstad van een aantal steden geworden, o.a. van Den Bosch, en voor Gelre Zutphen. Met filiatie gaat vaak, maar lang niet altijd, samen de zgn. hofvaart, d.w.z. wanneer de schepenbank van de dochterstad eens geen vonnis kan wijzen in een bepaalde zaak, omdat zij de rechtsregel, die moet worden toegepast, niet kent, dan kunnen de schepenen dit vonnis vragen aan de schepenbank van de moederstad, hun „chef de sens”, zoals het in de Frans-talige landen heet; in de oude rechtsbronnen heet dit „te hoofd gaan.” Filiatie en hofvaart zijn echter twee verschillende dingen en het een impliceert het ander Diet: er zijn gevallen genoeg bekend van filiatie zonder hofvaart; het omgekeerde, hofvaart zonder filiatie, komt ook voor, hoewel uiteraard zelden.

De filiatie heeft voor de landsgrenzen geen halt gemaakt en zo zijn Haarlem, Delft en Alkmaar dochtersteden van Den Bosch, dat rond 1250 een weliswaar zeer jonge, maar snel groeiende stad was.

Huizinga is de eerste geweest, die, nu juist vijftig jaar geleden de verwantschap van de Hollandse stadrechten met dat van Den Bosch heeft aangetoond. Sedert zijn belangrijke nieuwe teksten ontdekt en door een nauwgezette studie daarvan weten wij thans, hoe Haarlem, Delft en Alkmaar aan hun stadsrechten zijn gekomen. In 1245 kwam in dienst van de graaf van Holland een zekere magister Daniel, geboortig uit Duvenee (een thans verdwenen dorp in de buurt van Reimerswaal), een geboren Zeeuw dus en als zodanig onderdaan van de graaf, die echter zijn carrière had gemaakt als raadsman van de hertog van Brabant. Deze man moet als de opsteller van het concept, dat gediend heeft voor de stadsrechten van Haarlem (1245), Delft (1246) en Alkmaar (1254), worden beschouwd, en door vergelijking van de bewaard gebleven teksten kunnen we nagaan, hoe hij te werk is gegaan. Hij baseerde zich op een tekst van het Bossche stadsrecht, die wij thans niet meer bezitten, doch die uit twee andere teksten (een oudere van ca. 1185 en een latere van 1284) gemakkelijk kan worden gereconstrueerd. Hij schreef deze tekst niet zonder meer over: behalve kleinere wijzigingen, liet hij bijv. de bepalingen over het erfrecht in Den Bosch weg. Overigens behield hij de tekst vrijwel letterlijk, maar op de rand van het blad noteerde hij aanvullingen en verduidelijkingen, en deze glossen zijn bij het uitschrijven van de handvesten in de tekst gekomen: het zijn in het handvest van Alkmaar de paragrafen 30-37 en 60. Nu was het Bossche stadsrecht, opgebouwd uit heterogene bestanddelen (hertogelijke privileges, stedelijke wijsdommen enz.), al vrij gecompliceerd; door deze inlassingen werd de overzichtelijkheid er niet groter op. Men heeft zelfs op grond hiervan en van vermeende tegenspraken de echtheid van de Hollandse stadsrechten betwijfeld, maar deze opvatting, gebaseerd op verkeerde interpretaties en op spitsvondige constructies, is thans algemeen verlaten.

Bij deze adaptatie van het Bossche recht heeft magister Daniel het echter niet gelaten. Hij voegde aan het einde een achttal artikelen toe (art. 61-68 in het handvest van Alkmaar) en deze zijn van groot belang, want zij handelen van het recht van de stedelijke regering haar eigen keuren te maken en van de verplichtingen tot wederzijdse bijstand van de poorters. Zelden is de stedelijke autonomie en integratie duidelijker tot uiting gebracht.

Het concept, dat magister Daniel voor Haarlem vervaardigde, bleef in de grafelijke archieven en heeft naderhand gediend voor het stadsrecht van Delft en van Alkmaar. Men heeft van het begin af aangenomen, dat het Alkmaarse stadsrecht van het Haarlemse is overgenomen. Dit is echter niet zo: de stadsrechten van Haarlem, Delft en Alkmaar gaan onafhankelijk van elkaar terug op het door magister Daniel vervaardigde concept en de kaart van de stadsrechtfiliaties in Beekman's Geschiedkundige Atlas is dan ook in dit opzicht foutief. Verder heeft men ten onrechte aangenomen, dat Delft en Alkmaar in Haarlem te hoofd gingen. Van deze hofvaart blijkt niets en zoals gezegd impliceert de filiatie de hofvaart geenszins. Wel is er een oorkonde van de schepenen van Den Bosch van 1259, waarin deze zich bereid verklaren hoofdvonnissen van de Delftse schepenbank te zullen wijzen volgens het recht van Den Bosch, maar het blijkt niet, of de Delftenaren van dit recht ooit hebben gebruik gemaakt. Voor Woudrichem en Vianen, eveneens dochtersteden van Den Bosch, is de hofvaart echter wel te bewijzen.

Uit het voorafgaande kan men besluiten, dat men niet zonder meer kan afgaan op de letter van de tekst van het handvest, want de middeleeuwse eerbied voor het eenmaal geschrevene is oorzaak geweest dat er tussen de teksten ener- en hun toepassing anderzijds meestal een min of meer brede kloof ligt. Verschillende paragrafen, die magister Daniel uit het Bossche stadsrecht overschreef, kunnen in de Hollandse steden ofwel in het geheel niet, of zeer beperkt tot uitvoering zijn gebracht, zo bijv. al direct paragraaf 3, waar de schout het recht krijgt samen met de burgers vonnissen te voltrekken buiten de stad, een bedenkelijk voorrecht, welks uitvoering in de omgeving van Den Bosch tot eindeloze herrie aanleiding gaf. Ook op paragraaf 4, die zo ruim de mogelijkheid openstelt tot het verwerven van het burgerrecht, is de graaf spoedig gedeeltelijk moeten terugkomen, ten gunste van heer Simon van Haarlem, die de inwoners van het kerspel Heiloo uitgesloten wenste te zien.

In tegenstelling tot de Franse communes, die hun vrijheid in harde en bloedige strijd veroverd hebben, is de stedelijke ontwikkeling in Hollanden de rest van de Noordelijke Nederlanden, rustig verlopen. De graven hebben deze ontwikkeling zeker niet tegengewerkt, eer bevorderd, en waarschijnlijk is het meer dan een loze formule, als graaf Willem in de aanhef zegt, dit handvest te hebben gegeven „ob dilectionem libertatis oppidi”, uit liefde voor de vrijheid der stad.

H. P. H. Camps

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.