Archivering » De Speelwagen » 1954 » No. 3 » pagina 80-82
Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 3,
pagina 80-82.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Rector B. Voets.
Toen de stadhouderlijke familie, die na de revolutie van 1795 naar Engeland was uitgeweken, van de
eerste schrik bekomen was, probeerde zij de macht in de republiek terug te winnen. Zij kreeg steun van
het Engelse gouvernement, dat een leger onder bevel van de hertog van York naar Noord-Holland stuurde.
Een Russisch corps verbond zich daar met de Engelsen en in begin September 1799 hadden zij het noordelijk
gedeelte van Noord-Holland bezet.
Dit bevrijdingsleger werd vooral in de dorpen van Kennemerland met weinig enthousiasme ontvangen. De
bevolking, voor het grootste gedeelte R.K., verlangde niet naar een herstel van de oude republiek, waaraan
zij geen prettige herinneringen had. Ook had men het niet erg op deze vreemde soldaten begrepen, die het
land plunderden en de armoede, die de meeste dorpen drukte, nog verzwaarden. Speciaal staken de bewoners
van Limmen hun afkeer voor deze actie van de stadhouderlijke familie niet onder stoelen of banken. Wij
worden daar heel nauwkeurig over ingelicht door de uitvoerige berichten van Limmens gemeentesecretaris
uit de Franse tijd: Jacob Laarman.
Eind September, zo leest men dan in de oude stukken, drongen de Engelsen tot het kleine dorp door. Limmen
bestond toen „uit 75 huizen met 430 zielen”. Voor het merendeel woonden er boeren: men
telde er „twee stallen, tien schuren, 68 paarden, 37 wagens, 7 grote of gewone karren, 2 kleine
of stortkarren, 292 stuks rundvee, geen trekossen” . Men kon hier geen verzet verwachten, want,
zo deelt Laarman mede: „Er zijn geen bemuurde of met grachten omringde kastelen of sloten en geen
bemuurde kerkhoven”. Wat moest men daarom in het dorp zoeken? Vertrouwde men de bevolking niet
en wilde men nagaan, welke personen de nieuwe Bataafse republiek steunden? Of was het alleen maar om
geld en goed te doen? De bevolking van Limmen wist niets beters te doen, dan het maar rustig af te
wachten. Wat baatte op dat ogenblik gewapend verzet? Laarman deelt daarom op 2 November 1799 aan het
bestuur van het departement van Tessel mede: „De inwoners alhier hebben zich rustig gedragen en
hebben zich niet met de vijand bemoeid. De vrijheidsboom is blijven staan en er is geen vlag van de
toren of enig ander gebouw uitgestoken.”
Door deze passieve houding van de bevolking konden de Engelsen weinig doen. Wel werd er een schatting
opgelegd, zoals dat altijd in oorlogstijd gebruikelijk was, maar men had geen reden om beslag te leggen
op de bezittingen van de bevolking. Als men het eens probeerde, dan werd men heel handig afgewezen. Een
aardig staaltje van bijzondere durf, deelt pastoor Nooy van Limmen ons mede. De Katholieken van Limmen,
die het grootste gedeelte van de bevolking uitmaakten (Secretaris Laarman gaf aan het departement op
dat er 366 Katholieken in het dorp woonden), hadden voor hun eenvoudig schuurkerkje op Disseldorp een
goed plan bedacht. In heel Kennemerland wist men, dat het kerkje prachtige zilveren gebruiksvoorwerpen
had en de Engelse soldaten, die dat hadden gehoord, wilden graag eens gaan kijken en tegelijkertijd
wat meenemen. Oorlog kost nu eenmaal veel geld! Maar de Katholieken lieten zo maar niet hun kerkschatten
weghalen.
Op de vroege morgen van 30 September kwamen enige Engelse soldaten naar het R.K. schuurkerkje zoeken.
Van buiten was het niet te herkennen en daar geen enkele bewoner van Limmen mee was gegaan om het kerkehuis
aan te wijzen, moesten ze zelf maar uitzoeken welk van de vijf huizen op de kerkwerf als R.K. kerk werd
gebruikt. Zij klopten aan bij de heelmeester en barbier Maximiliaan Ludovicus Nuyens, om hem inlichtingen
te vragen. Maar zij waren aan het verkeerde kantoor. De dorpsdokter, die bekend stond als een vurig
Katholiek, was niet zo gemakkelijk van zijn stuk te brengen. Hij had de soldaten zien aankomen en toen
hij het vermoeden kreeg, dat ze de kerkschatten wilden roven, zeide hij tot Jan Kelderman, die als
koster fungeerde en toevallig bij hem was: „Daar zullen we eens een stokje voor steken. Zij zullen
hier eerst wel om inlichtingen vragen. Nu daar zullen ze van lusten”. De dokter, die een liefhebber
van bijen was, had achter het huis twee korven staan: „Breng een hierheen en neem er zelf ook
één mee. Als de soldaten nu voor de deur staan te rammelen, keer je de korf om en je zult
zien, daar hebben ze niet van terug”. Toen de soldaten even later de klopper op zijn deur hadden
laten vallen, keerde hij de korf om en haastte zich om open te doen. „Kom binnen, mannen”,
zeide dokter Nuyens, „er is wel een klein ongelukje gebeurd, maar u zult daar niet bang voor
zijn”. De zoemende bijen kwamen op de soldaten af en door hun slaan in de lucht maakten zij het
nog erger. Zij gingen naar buiten en konden de bijen niet kwijt raken. „Dat hebt ge expres
gedaan”, zo riep de aanvoerder van de soldaten woedend tegen dokter Nuyens, die ook naar buiten
gekomen was en, zo schrijft pastoor Nooy, met Jan Kelderman, die in het kerckhuys woonde, op de werf
stond om alles af te zien, „U zult er wel meer van horen”. De dokter glimlachte: voorlopig
was de kerk weer gered en wat er later gebeurde, dat kon men altijd nog zien. Want de soldaten waren
kwaad naar het dorp teruggelopen, achtervolgd door zoemende bijen.
Aan de bezetting van Limmen door vreemde troepen kwam spoedig een einde. Op 6 October 1799 rukte
generaal Daendels met troepen van de Bataafse republiek op naar Castricum. Ook onder Limmen werden
gevechten gevoerd en om de vijand op een dwaalspoor te brengen, werden verschillende papieren uit het
gemeente-archief vernietigd. Doch het was niet nodig: Daendels behaalde de overwinning en verzocht de
Engelsen bij de vredesonderhandelingen te Alkmaar (in het huis in de Langestraat, aangekocht door de
Noordhollandse Levensverzekering: thans kantoor van deze maatschappij) om zo spoedig mogelijk het land
te verlaten. De rust keerde weer en op 1 December 1799 werd te Limmen een algemene feestdag afgekondigd.
Maar evenals de oorlog geen enthousiasme had gewekt bij de bevolking, was het ook met de vrede. Toen
op verzoek van het bestuur van het dorp ds. v. d. Schaaf een hooggestemde toespraak hield „om
de gemoederen op te wekken tot eene gezamentlyke vreugde en dankbaarheydt voor de redding des vaderlands
uit de jongste nood.”, had hij maar weinig toehoorders. De meeste waren, zo vertelt de secretaris,
gewoon aan het werk gegaan. „Dit is een blijk van onverschilligheid omtrent de belangen des
vaderlands”, merkt secretaris J. Laarman op, maar overeenkomstig de beginselen van vrijheid,
gelijkheid en broederschap kon hij zijn medeburgers daar geen verwijt van maken.