Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1954 » No. 1 » pagina 22-24

In Koedijk

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 1, pagina 22-24.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: J. P. Geus.

De verschillende bezitters der Vrije Heerlijkheid van Oudkarspel, om enkele met namen te noemen, jhr. Floris van Teijlingen, overleden 7 April 17281, jhr. Cornelis van Teijlingen, overleden 22 Januari 17382 en jhr. Jan Lodewijk van Teijlingen, overleden 29 November 17583, vinden we steeds aangeduid als heer van Oudkarspel en in Koedijk. Aan de hand van deze titel zou men geneigd zijn te veronderstellen, dat deze personen tevens heer van Koedijk waren. Dit was echter niet het geval, want Koedijk was een Ambachtsheerlijkheid, welke in 1730 door de Staten van Holland en West-Friesland verkocht werd aan de heren burgemeesteren en regeerders der stad Alkmaar.4 De toevoeging „en in Koedijk” moet dus op andere wijze worden verklaard, waartoe hieronder een nadere uiteenzetting volgt.

Het Aardrijkskundig Woordenboek van Van der Aa vermeldt: „Koedijk (In), gehucht in Geestmerambacht, Gem. Oudkarspel, met 5 huizen en 40 inwoners,” terwijl in dat van Witkamp melding wordt gemaakt van: „In Koedijk, gehucht in de N.H. gem. Oudkarspel aan het N.Holl.Kanaal.” Daar hier sprake is van een gehucht „In Koedijk”, gelegen in de gemeente Oudkarspel, zou de titel heer van Oudkarspel en in Koedijk, hiermede wel te verklaren zijn. Echter, de aangehaalde aardrijkskundige woordenboeken zijn reeds van de vorige eeuwen heden ten dage is in de gemeente Oudkarspel of in de omgeving daarvan nergens een gehucht met de naam „In Koedijk” te ontdekken.

Wel is bekend, dat het noordelijkste gedeelte van het dorp Koedijk voorheen tot de gemeente Oudkarspel behoorde. Om een indruk te geven van de afgelegenheid van dit deel ten opzichte van het dorp Oudkarspel en de moeilijkheden, welke hierdoor konden ontstaan, volgen hier enkele aanhalingen uit een verzoek van de „ingesetenen van het Noordeijnde van Koedijk onder de Heerlijkheijd Oudcarspel” gericht aan de „Edele Mogende Heeren de Heeren Gecommitteerde Raaden van haar Ed. Groot Mogendende Heeren Staten van Hollandt ende Westvriesland in Westvriesland ende den Noorderquartiere.”5 Het verzoek werd in 1721 of 1722 gedaan in verband met het besluit van 26 October 1695, waarin de impost op het begraven is geregeld en waarbij bepaald werd, dat iemand die buiten zijn woonplaats wordt begraven, dubbel recht moet betalen, hetwelk de verzoekers tot heden steeds hadden gedaan, daar zij hun lijken in de kerk of op het kerkhof van Koedijk hadden begraven. De reden hiervan was, volgens eerder vermeld verzoek, „dat het dorp Oudkarspel wel ander halfuur van het noordeijnde van Koedijk is afgelegen, en van het selve gesepareert, door gebroken landen ende meren; dat sij Supplianten noijt eenige graven in de kerk of op het kerkhof aldaar gehad, noch eenige lijken aldaar begraven hebben; dat het voor hun Supplianten menigmaal ondoenlijk soude zijn, voornamentlijk des winters met het minste besloten water, Hare lijken derwaarts te Transporteren, en andere importante redenen meer; daar in tegendeel sij Supplianten wonen annex het dorp van Koedijk; Hare graven, ende begraafplaatsen van haare ouders en voorouders altijt hebben gehad, ende noch hebben, of in de kerk, of op het kerkhof van Koedijk ende hare doode Lijken altijt aldaar begraven, ende ter aarden bestelt; dat sij Supplianten aldaar mede des Zondaags te kercken gaan, hare Godsdienst pleegen, ende in de gemeente des Heeren zijn; en ook haar nachtmaal houden; dat hare kinderen aldaar mede school gaan, ende andere zaacken meer.” Volgens de verzoekers kunnen zij dan ook niet anders worden beschouwd „als in effecte in, ende onder Koedijk te wonen (Schoon onder de Jurisdictie van Oudkarspel behoorende ).”

Bij besluit van 4 Maart 1722 werd aan de verzoekers toegestaan voortaan enkel recht te betalen, mits de lijken ter secretarie te Koedijk werden aangegeven.
In het bovenvermelde verzoek wordt echter geen melding gemaakt van „In Koedijk” en ook oudere bewoners van dit gedeelte weten van een dergelijke naam niets af.

In 1826 noteerde de Koedijker predikant, L. Visser, zestien lidmaten „onder de Ban van Oudkarspel, die Kerkelijk tot de Gemeente van Koedijk behooren”, doch ook hier is geen sprake van „In Koedijk”.

Het is volgens mij echter wel duidelijk dat met „en in Koedijk” werd bedoeld, dat zij tevens heer waren, van dat gedeelte der gemeente Oudkarspel, dat in feite in het dorp Koedijk gelegen was, waardoor dus een nadere omschrijving van het territoir werd gegeven.

Intussen bestaat deze toestand echter niet meer, daar met ingang van 1 Januari 1907 dit gedeelte van Oudkarspel bij de gemeente Koedijk is gevoegd.6 De grenzen der bannen Koedijk en Oudkarspel zijn echter niet gewijzigd, zodat deze tot heden nog steeds de oude toestand aangeven.7

J. P. Geus

1 Zie: De Alkmaarsche Vroedschap tot 1795, door C. W. Bruinvis, blz. 17.
2 Idem, blz. 20.
3 Idem, blz. 21 en West-Friesland Oud en Nieuw, deel XII, blz. 141.
4 Archief Gem. Alkmaar, no. 2019.
5 Oud-archief Gem. Oudkarspel, no. 14.
6 Wet van 7 Juli 1906, Staatsblad 175.
7 Zie: Zeeweringen en Waterschappen van Noord-Holland, derde uitgaaf, bewerkt door D. Kooiman, 1936, blz. 732 en 739.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.