Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1953 » No. 4 » pagina 108-119

Het Noordhollandse boerenleven in 1800

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 8e jaargang, 1953, No. 4, pagina 108-119.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: R. C. Hekker.

Een nieuwe regering laat doorgaans ook een aantal nieuwe stokpaardjes opdraven en die der Bataafse Republiek vormde geen uitzondering. In dit geval werd de landbouw als „een der zenuwen van onzen Staat” in het brandpunt van de belangstelling geplaatst. En zo zien wij J. Goldberg, de Agent der Nationale Oeconomie - tegenwoordig zouden wij zeggen minister van Handel, Landbouw en Nijverheid, - met zijn directeur-generaal J. Kops in het jaar 1800 een reis door onze gewesten aanvaarden om zich overal ter plaatse op de hoogte te stellen van de toestand in die takken van bestaan. Wanneer men de bezwaren die destijds aan een dergelijke tocht waren verbonden, voor ogen houdt, begrijpt men welk belang er aan zo'n onderzoek werd gehecht. Maar niet alleen uit eigen aanschouwing, ook uit rapporten en door middel van vragenlijsten poogde de Agent op zijn terrein zoveel gegevens te verkrijgen, dat hij zowel de gebreken kon aantonen als de oorzaken hiervan zou kunnen wegnemen. Door zijn kortstondig bewind heeft hij het gestelde doel niet mogen bereiken, maar er wel toe medegewerkt, dat de landbouw voortaan als wetenschap werd beoefend.

Onder Goldbergs nagelaten bescheiden, die men tenslotte voor het Algemeen Rijksarchief in Den Haag heeft kunnen verwerven, bevinden zich o.m. de antwoorden op de vragenlijst betreffende de landbouw. Afgezien van het gebruik, dat J. Kops hiervan heeft gemaakt voor zijn Verbaal1, dat later door Sloet in verkorte vorm is gepubliceerd2, zijn de gegevens, die niet onmiddellijk betrekking hebben op de bedrijfsvorm, nooit bekend gemaakt. Daar ze echter talloze merkwaardige toestanden aan de vergetelheid ontrukken, heb ik de Noordhollandse antwoorden in het onderstaande verwerkt.

De vragenlijst - een verre voorloper van de enquêtes van de Volkskundecommissie van de Koninklijke Adakemie van Wetenschappen bevatte 253 vragen betreffende de bouw- en weilanden, de behandeling van het vee, de zuivel, de bossen, boomgaarden en moestuinen, de staat der boerderijen en der landlieden, de woeste en de gemene gronden. De lijst werd namens de Agent door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen in 1801 aan alle daarvoor in aanmerking komende adressen verzonden. Deze waren veelal van predikanten of schoolmeesters, want die „kunnen u ten platten Lande in het beantwoorden uwer bovengemelde vraagen den besten dienst doen en zonder hunnen hulp vreeze ik, dat er van zeer weinige landlieden eenig belangrijk antwoord zal te bekomen zijn", schreef de Utrechtse gecommitteerde van 't „Nut” aan Goldberg3. De briefsteller sloeg de plank niet ver mis, want later berichtte men uit Hollands Noorderkwartier: „de Boeren waren hier huiverig om ons met hunne antwoorden te gerieven, zij zijn doorgaans tegen alle nieuwigheeden ingenomen en hun algemeene regel is bij het voorouderlijke te blijven, zij vreesen daar uit dat eene nauwkeurige opgaave van hunne producten en inkomsten niet dan meerdere belasting ten gevolge zou hebben"4. En dat dit een gevoelig punt was blijkt wel uit het schampere antwoord van de invuller uit de Beemster op de vraag naar de onkosten en de opbrengst van de bedrijven: „daarover zoude men konnen vraagen de commissie na de geldheffingen weegens het District Alkmaar, welke zig verbeelde het beeter dan de boer zelve te weeten, waar van de zoomer van 1800 een bewijs heeft opgeleevert, hoe billijk en regtvaardig laat ik God en derzelver geweeten beslissen"5.

Uit Noordholland kwamen min of meer uitvoerige beantwoordingen binnen van de districten Koedijk, Noorderkwartier, Enkhuizen, de Beemster, Westzaan, Zaandam, Monnikendam-Waterland-de Purmer-Katwoude en Ouder-Amstel-Nieuwer-Amstel-Thamen6. In een enkel bericht - wederom uit het Noorderkwartier - wordt de algemene toestand geschetst en deze is weinig opwekkend7. „Omtrend den Boerenstand kan ik nog in 't algemeen aanmerken, Dat niettegenstaande de ongemeene Duurte van de graanen en de kaas veele Boeren niet zijn vooruitgegaan, de Beesten hebben in de twee koude Winters voor al in den laatsten ongemeen geleden en konden niet dan in den zomer een weinig op verhaal komen, veel Beesten waren uit gebrek aan Hooij afgezet, en in den Herfst van 1799 bij honderden voor een ongehoorden kleinen prijs verkogt; zij worden ook daar zij beter van de stedelingen kunnen nagegaan worden, door de aanhoudende en zwaare heffingen zeer gedrukt, en daar door lijden de Landbezitters en groote boeren het meest, daar de kleine, die op gehuurde plaatsjes wonen en geen drie hondert guldens inkomen hebben, vrij zijn.” En de berichtgever uit Koedijk meldde, dat de voornaamste boeren, die elkaar 's Zondagmiddags ten eten vroegen, dit niet meer konden doen, daar de meesten nu zo'n gebrek leden, „dat zij zig van den vroegen morgen tot den laaten avond om het schraale voedzel te bekoomen sterk moeten inspannen en om geene uitspanning konnen denken, uitgenomen op kermistijden wanneer de uitspanning algemeen is en niet zelden een uitspatting wordt..., na de oorlog hebben de meeste noch vlees, nog spek, nog visch, die door de krijgslieden meest zijn weggevangen, nauwelijks brood, daar men zig armoedig moet geneeren met koeken van garstdeeg, op een warme plaat gebakken, en haard-koeken genaamd”.

De bedoelde oorlog - de Engels-Russische invasie van 1799 - had de toestand in 't Noorden van de provincie inderdaad zeer verergerd. Beter dan de onpersoonlijke algemeenheden in de geschiedenisboeken geven de eigentijdse opmerkingen een beeld van de ellende. Treffend zijn bijv. de verzoeken tot steun, die het gemeentebestuur van Wijk-aan-Zee aan Goldberg richtte8. De eerste brief geeft een beschrijving van het verval van het dorp, dat vrijwel geheel van de visvangst leefde. Van de 16 schuiten was er in 1801 nog maar één over. Door de inkwartiering van militairen werd de armoede nog groter, want wie kon er nu een soldaat voor 21 stuivers per week in de kost hebben? vroegen de briefschrijvers zich terecht af. De invasie gaf echter de genadestoot en men kon wel beweren, dat er een collecte was gehouden voor de slachtoffers, maar niemand in Wijk-aan-Zee had er ooit enig resultaat van gezien. De enige verbetering zou slechts bereikt kunnen worden door een redelijke schadevergoeding, het in cultuur brengen van de woeste grond en het verschaffen van 4- à 5 visserspinkjes.

Op dit schrijven antwoordde Goldberg, dat hij eerst een overzicht van de schade wilde ontvangen, voordat hij verdere maatregelen nam, waarop de gemeente hem per ommegaande de volgende brief zond, die ik merkwaardigheidshalve geheel overneem:

Gelijkheid     Vrijheid
Het Gemeente Bestuur
van Wijk aan Zee
aan
Den Agent van Nationale
Oeconomie der Bataafsche
Republiek.

Burger Agent,

U geëerde Lettere in dato 5 februari 1801 no. 8 bij ons ontfangen dient tot opgeve waar in de schaden bij de invazie des vijandts in den Jaare 1799 van onzen burgerstaat hebben bestaan. Eerstelijk Het Ruineere van Huijzen, Schuuren Zo van Binnen als van buijten, aan Schuttinge oft heyninge etc.
2e. Het wegvoeren van Paarden, wagens en karre
3e. het slagten van Koeye schape en varkens
4e. Het vervoeren van hooij en zaad, en ook het Distrueeren van het Zelven
5e. Het Beroven en Consumeeren van alle Eetwaren als aardappele etc.
ten 6e. Het opensnijde van Beddens, het beroven van dekens en Linne Zo Bedde als Lijfsbehooren, en tafel goed
7e. Het openbreken van Kiste en Kasse Het beroven van Zilver & goud & Contante Penninge
8e. Het berove van Mans & Vrouwe Kledere en eijndelijk ten 9e Het Beroven en Distrueeren van alle Soorte van Huijsmeubile alsmeede hout Turff etc.
Ook het distrueeren van kerke en beroven derzelver goederen. Zijnde de gantsche totales dus (na dat dezelve door het gemeente Bestuur van Wijk aan Zee Naukeurig is geëxamineert) Eene Somma van ƒ 20420: 12.
Hier Meede meene aan de intentie van den Agent voldaan te hebben en verzoeke op het aller ootmoedigst de kragdadige Medewerking van den Agent, op dat Het wel Eer Bloeijend dog nu gantschelijk geruineerde en vervalle Wijk aan Zee eens tot zijn vorige Staat mag weder gebragt werden.
tekene na toewensching van heijl met alle verschuldigde Hoogagting Burger Agent

Het Gemeente Bestuur van Wijk aan Zee

w.g. Klaas Koper

Ter ordonnantie van dezelve

w.g. Corn. Coster

Wijk aan Zee
10 Februarij A 7
(= 1801).

Hoe het verder met Wijk-aan-Zee is afgelopen laat ik nu in het midden, maar geef nog eens het woord aan de inzender uit het Noorderkwartier, die de veranderde toestand in het niet direct door de oorlog getroffen Westfriesland schetst. „In de meeste Dorpen in de Districten van Westvriesland waren de Boeren teffens Zeeluij. hier was het kweekschool van Matroosen, Stuurlieden en Schippers voor de koopvaardij, niet voor Oost Indien of de oorlogsscheepen, dit wierd schande gerekend. zij waren met zoo veel Land en vee te vreeden als de vrouwen in den zomer konden beheeren, 's winters waren zij Boeren en leefden met hunne vrouwen en kinderen vergenoegd, nu word het bijna schande gevonden zee te houwen, en men legt zich enkel toe om aan den Wal te blijven en groot te worden. zij wien dit gelukt verdringen de kleinen, en daar door vermindert het getal van huizen en inwoonenden ongelooflijk in ons quartier.”

Na bovenstaande opmerkingen over de weinig rooskleurige toestand in de Franse tijd thans het een en ander over de boerenkleding, 't personeel, de levensgewoonten ten plattelande, de hoeve en het bedrijf.
Over de kleding is helaas weinig opgegeven - men zou de oude boedelbeschrijvingen hiertoe eens moeten doornemen9. Meestal hebben de beantwoorders er zich afgemaakt met een: „doorgaans zeer eenvoudig, van Linnen en Wollen” (Koedijk), of „de bovenkleederen, grof Laken of Sarsi” (Waterland e.o.); slechts een enkele maal is men iets uitvoeriger: „meestal bever, sarsie of laaken - in het werk gebruikt men linnen of het afgesleetene Zondagspak - veelal ook het zogenaamde boesel-goed” (Beemster) of „Linnen Hemden, Leydse wolle wambuisjes, sergie Broek en buis, grove grauwe Koussen en Hoosbloken of schoenen” (Ouder-Amstel e.o.). Maar degenen, die van de stijgende korenprijzen profiteerden, gingen zich rijker kleden blijkens het rapport uit 't Noorderkwartier: „echter neemd de weelde vooral in de kleding der Boerinnen gaande weg toe, en de inlandsche stoffen, als van Wollen, Bombazijnen enz. zijn niet dan op enkele plaatzen, daar de oude eenvoudigheid nog heerscht, in gebruik”. Het zelf spinnen kwam nog maar weinig voor.

Naast de kinderen, die op hun veertiende of vijftiende jaar (bij de armen reeds op hun tiende of elfde) aan het boerenwerk werden gezet, had men als vast personeel enige knechts en meiden, die resp. ƒ 50-ƒ 100 en ƒ 40-ƒ 80 per jaar benevens de kost verdienden. De dagloners brachten het al naar de lengte der dagen tot 10 à 15 stuivers met de kost. In de oogsttijd kwamen er bovendien veel „Bovenlanders” (voornamelijk uit Westfalen) als seizoen-arbeiders maaien, hooien, dorsen en baggeren. Justus van Maurik heeft een van zijn aardigste schetsen gewijd aan deze „Hannekemaaiers", die weliswaar bij de aankomst van de Kamperboot als vee werden behandeld en wier domheid spreekwoordelijk was, maar die dan toch in de hooibouw ƒ 1 per morgen (0,8- 0,9 ha) kregen en zuinig als ze waren weer met een aardige spaarduit in de arme Heimat terugkeerden.

Zeer veel ontwikkelder was men op ons platteland trouwens ook niet. In bepaalde districten (o.a. Enkhuizen en Ouder-Amstel e.o.) tierde het analphabetisme nog welig en slechts in welvarender gebieden als de Zaanstreek en de Beemster kwam het bijna niet meer voor. Maar ook hier zou men zich zelden aan andere lektuur wagen, dan die van de Almanak der Erve Stichters; het zelf optekenen van de bedrijfservaringen was natuurlijk nog zeldzamer.

Met de ontspanning was het al niet veel beter gesteld. Hierboven is reeds terloops melding gemaakt van het kermisvieren, dat niet slechts in het district Koedijk tot uitspattingen zal hebben geleid. Maar verder bepaalde men zich tot kaatsen, kolven en kaarten (Ouder-Amstel e.o.) of men zou het naar de markt gaan nog als ontspanning moeten beschouwen (die van Alkmaar was op Vrijdag en Zaterdag het gehele jaar door met uitzondering van de tijd van Kerstmis tot Vrouwendag). Behalve de normale Zon- en feestdagen had men ook geen vrij, behalve in de Beemster, waar men 30 Juli ter herinnering aan de droogmaking in 1612 als dankdag vierde met bijzondere diensten in alle kerken. Ook in dit ontwikkelde gebied stond het vermaak niet op hoog peil. Men ontspande zich door het bezoek aan „de kermissen der naast bij gelegen plaatsen, voorts s'avonds wanneer men een pijp rookt, eens jast, damt - en wat over de kostwinning en wijze van behandeling spreekt - ook vermaaken de jonge lieden zig wel eens met eene kat uit de Ton te knippelen - het welk ik en veele brave, wel wenschte door 's volks vertegenwoordigers verboden te zien - niet omdat ik daaromtrend Dweepen, en de jonge lieden dit op zig zelve onschuldig vermaak misgunnen, maar om de gevolgen welke het heeft en waar om zeekere kroeghouders het beginnen - het dobbelen en drinken - wanneer de klugt is afgeloopen - het welk ten gevolge heeft, dat het geld 't soekt raakt, en men niets overhoude om de noodige kleederen voor te koopen - somtijds zelfs tot nadeel der armkasse”, aldus de berichtgever uit de Beemster, die kennelijk meer tegen de gokwoede dan voor de dierenbescherming was.

Ondanks deze primitieve gewoonten, is het merkwaardig, dat „coffij en thée” toch reeds zeer algemeen waren. Het vroeger dagelijks gebruikte dunne bier bleef nu vrijwel tot de hooitijd beperkt ("een boer evenwel voor zijn persoon 8 Ton s'Jaars” voegt de Beemster rapporteur hier raadselachtig aan toe). Slechts in het ten opzichte van de rest van Noord-Holland blijkbaar achterlijke gebied van Ouder-Amstel e.o. vermeldde men als „de drank door de dag” naast karnemelk nog bier. Overigens was daar de nieuwe tijd ook reeds doorgedrongen blijkens het standaardmenu: „'s morgens na het melken ontbijten met Coffij en een boteram, ten 12 uuren: vlees of spek met aardappelen en wintergroenten, 's avonds ten 8 uuren: meelkost of Coffij en boteram”.

In het district Koedijk had men, althans voor de grote achteruitgang, een ruimere maag of beurs, gezien de volgende opgave: „er word doorgaans gegeeten 's morgens na melktijd ten 7 uuren een stuk brood (vooral rogge) en kaas met gem: thée, ook 't zelve 's middags, de voornaamste maaltijd namiddags ten 4 à 5 uure, en 's avonds ten 8 à 9 uuren”. De warme maaltijden bestonden hoofdzakelijk uit pekelvlees en spek, ook wel vis (vooral snoek, baars en voorn), erwten, tuin- en paardebonen, meelspijzen. (Westzaan vermeldt natuurlijk gort, en als drank ook wei.) De overige dranken konden echter evenmin veel schade aanrichten, het bier in de hooitijd werd zeer dun, de koffie slap en de thee extra slap genoemd.

De zeer beknopte antwoorden op de vragen hoe de boerderijen er uitzien en de stallen zijn ingericht onthullen geen nieuwe gegevens. De boerenhuizen „koomen met die van 't voormalig Vriesland en Groningen zeer veel overeen, dog verscheelen met die in Zuidholland door ons vierkant, de hooijberging in 't midden, de stal, dorsch en wooningen onder de afdaaken, die (nl. in Zuid-Holland) meer in 't lange, en de hoyberging op zig zelven hebben", schreef men uit de Beemster. Dit Zuidhollandse type kwam voor in het district Ouder-Amstel e.o., waar het de oude Noordhollandse vorm had verdrongen10. Het werd beschreven als bestaande uit „een voorhuis om de kaas te leggen, het geen bij veelen ook in de stal geschied, een keuken om te woonen, een kelder om te koelen en een stal voor de Beesten veelals een zoomer of karnhuis buiten - de andere wooning, waarin men meest fournuis en ooven heeft - bij de bouwboeren daar en boven een dorschvloer en een daar aangelegen paarden stal. Een koornzolder over huis of stalling”. In de koestal is „een doorgang in 't midden, de beesten staan met de koppen na 't midden agter hun is een groep voor de mest en daaragter een kruij-gang”. Er wordt echter ook gezinspeeld op andere inrichtingen, waarschijnlijk de verdwijnende Friese, die in Aalsmeer het langst gehandhaafd bleef. Een aanwijzing hiervoor is de opmerking, dat het hooi niet alleen in bergen en schelven maar ook wel in „Hooyhuizen” geborgen werd.

Ik keer echter terug naar de koehuizen in de „spitse vierkante gebouwen” van 't Noorden, waar „het vee met de koppen aan de weeg staat, en de stallen lang zijn 7½ voet, breed 7 voet, met een groep daar agter van ruim twee voet, en een gang agter 't vee langs van zes voet", zoals men voor Waterland en de Purmer opgaf. De Beemster vermeldde bovendien nog „een steene of houte drinkgoot van vooren tegen de buitenweeg”. Zaandam berichtte, dat de stallen „meestal afzonderlijk van de huijzen” stonden „in tegenstelling van de naburige bedijkte meiren”. Dit zal betrekking hebben op de kleine bedrijfjes, waarbij de woning vrij staat en het stalletje met de hooischuur - de met planken beschoten berg - is samengetrokken.

Thans nog iets over het bedrijf. De gemiddelde grootte was in Koedijk 20 morgen, dus 16.68 ha, want blijkens de opmerking, dat 1 morgen = 3 geersen = 36 snees, was hier dus sprake van de Schagense morgen van 0.834 ha11.

Over de hoeveelheid vee die men per morgen weiland kon houden, liepen de meningen nogal uiteen; Koedijk rekende 2 koeien op 3 morgen (2,5 ha), in het district Enkhuizen had men voor 2 stuks aan 1 (Drechterlandse?) morgen (van 0,92 ha) voldoende, terwijl Westzaan zelfs tot 3 koeien of 3 paarden of 30 schapen per morgen (Waterlandse van 0,91 ha of Amsterdamse van 0,81 ha) kwam, hetgeen wel betwijfeld mag worden. Schapen kwamen overigens niet veel voor, schreef men uit Koedijk, daar ze „weegens 't veelvuldig water in ons gebrooken zand ligtelijk ongans worden. (Men houd ze 's winters doorgaans op de Hoeve bij de huizen, ook wel 's nagts in boete of op stal)”. Ook de koeien hadden last van 't water, dat in de sloten nog al eens brak was, zodat men in de weiden putten moest graven.

De koopprijs van de grond was in het district Enkhuizen gemiddeld ƒ 500 per morgen, de huur ƒ 40. Aan belastingen betaalde men ƒ 20 per morgen (verponding en landschot) en voor ieder beest één ducaat. In Koedijk was dit ƒ 15 (ongelden aan molens, sluizen, Hondsbosse zeewering, de Raaxmaat-bedijking, dijkskosten, gewone- en buitengewone verpondingen en dorpslasten) en behalve iets van zomer- en winterbezaai moest men dan nog voor iedere koe ƒ 3 aan hoorngeld en voor ieder paard ƒ 1-6 aan oorgeld opbrengen.

Het ploegen geschiedde in Ouder-Amstel met sleeploegen, in 't Noorden met voetploegen getrokken door twee paarden met hennipen hamen. De Beemsterlingen gaven de voorkeur aan de zgn. „Groningers met scheif, of mes, na de grond het toelaat”. Deze kostten ƒ 25 à 30 en werden in de Heer-Hugowaard vervaardigd.

Het mesten was een belangrijk punt en juist in deze tijd ging men hieraan grote aandacht besteden. Talloze studies verschenen op het gebied van de gierbewaring, het verzamelen van huisvuil en 't toepassen van kunstmest. De enige opgave van deze laatste stof kwam uit Ouder-Amstel, waar men zeepziedersas (de nabijheid van Amsterdam) gebruikte. Het huisvuil haalde men zelf op, hetgeen in die tijd, toen men nog het beerputtenstelsel kende, lonend was. De stalmest werd iedere dag naar de vaalt aan de slootkant gekruid, maar met de gier ging men doorgaans nogal verkwistend om. Men liet deze in de sloot lopen in de verwachting, dat hierdoor de kwaliteit van de modder, die men er in het voorjaar uitbaggerde, zou verbeteren.

De gewone modder en de ruigte werden in de nazomer op de weien bouwlanden in hopen van 3 à 4 voet opgezet en in de lente verwerkt (30 pramen per morgen); op de akkers ging hier de stalmest door, terwijl men bij de lage hooilanden vaak slechts volstond met het onderwater zetten van December tot Maart. In Koedijk was de mestopbrengst zo groot, dat vele bouwlieden uit de Zijpe er met schuiten naar toe voeren om het overschot te kopen. De staltijdproductie van een koe waardeerde men toen met ƒ 5.

Een ander punt, waar men zich destijds zeer om bekommerde, was de hooibroei. Al naar gelang de plaatselijke gesteldheid werd het hooi per praam of per as van het land gehaald. In de Beemster geschiedde dit slechts op de laatste wijze en sloeg men het op „in de bruikers (d.i. in de boerderijen zelf) of op klampen, welke rond gezet zijnde het best voor rotting of inwateren beveiligd zijn, wanneer men ze goed met bladriet bedekt. Ter behoeding van 't broeijen (waar aan het bij ons zeer onderworpen is) zetten sommige een pomp ter uijtwaseming in de midden, dog is niet aan te raden, dewijl het om dien pomp te seer beslaat en schimmelt; andere besprengen het met zout 25 wagens teegen Een zak, dit evenwel geschiedt tot heeden weinig, dog schijnt van goed effect te zijn. Zonder deeze middelen, niet te veel op elkander te zetten, en zoo het enigsints heet begint te worden, spit men 'er een gat in of zet het om, waar over keur-meesters zijn, welke in die tijd bij de huislieden omreiden, wordende door het gemeente bestuur aangesteld, en voldaan Tegen ƒ 1.10 daags kostende dit s' Jaarlijks meer dan ƒ 400 soms zelfs ƒ 500 na het hooi broeit.” Ook in Ouder-Amstel en in Koedijk werd „door een lang tent yzer op last der municipaliteit de maate der hitte onderzogt en als'er gevaar is door spitten opening gemaakt”.

Als landbouwgewassen kende men in Koedijk: „Winter tarw en rog in October en November (gezaaid), dito in April, Garst en Haver in April, Erwten en boonen in Maart, Kanarie in Maart of April naar 't weer is, mieriks wortel in Meij, roode witte en bloemkool in Maart gezaaid, in Junij verplant.” De producten werden zo spoedig mogelijk naar de markt gebracht, alleen de mierikswortel liet men in de grond weetende van geen vorst”.

De opgave van de Beemster is in dit opzicht te uitvoerig om over te nemen12 en dit geldt eveneens voor de zuivelbereiding13. Ik wil nog slechts enige economische bijzonderheden vermelden. De prijs van de kaas bedroeg ƒ 13 - ƒ 16 per 100 pond, die van de boter 6 à 7 stuivers per pond. In tegenstelling tot de laatste, die uitsluitend voor inlands gebruik was en soms zelfs uit Friesland en Gelderland moest worden ingevoerd, werd de kaas voor 98 pct (!) geëxporteerd naar 't voormalige Brabant, Frankrijk, Spanje, Portugal, Rusland, ook wel Engeland en zelfs Indië. Het was dus geheel in strijd met het belang de uitvoer te verbieden, zoals dit in 1801 geschiedde, merkte de inzender uit de Beemster op. Andere exportartikelen waren granen en augurken. „De gurken zend men na de Indien, of gebruikt men op de scheepen, welke lange reizen doen, ter verversing der scheepelingen waarom men ze ook wel op ons oorlogsvlootje gebruikt heeft - en misschien nu nog wel zoude willen gebruiken...” schreef de kennelijk anti-Franse Beemsterling.

Tot slot nog een citaat, waaruit blijkt, dat de boer uit 1800 nog van andere zaken dan de oorlog, de overheidsbemoeiingen en de natuur hinder ondervond. Het betreft de algemene klacht over de bedelarij. De invuller uit Koedijk schreef er van: „Men heeft' er groote overlast van gehad vooral van beedelaars uit Alkmaar, die ook dikwijls stalen, tot men onlangs een dorps dienaar, die door de gezamentlijke burgers wordt onderhouden, heeft aangesteld, deeze heeft dagelijks werk om dat volk te weeren, terwijl eigen armen hier vrij wel onderhouden worden, mids ook verpligt tot werken in eene hier opgerigte Spinbaan.” Men ziet, Poots befaamde dichtregel over het genoegelijk voortglijdende leven des gerusten landmans was ook in dit opzicht weinig van toepassing voor de jaren rond 1800.

R. C. Hekker

1 J. Kops, Verbaal, gehouden door den Commissaris van Landbouw op de huishoudelijke Reyze van den Agent, wegens den staat van den Landbouw. Collectie Goldberg nr 28. Alg. Rijksarchief, Den Haag.
2 Onze landbouw in het jaar 1800, (Sloets) Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek, dl XIX, 2de serie, 7de deel, Zwolle 1860.
3 Brief d.d. 13 Februari 1801 van C. W. Westerbaen. Coll. Goldberg 29.
4 Bericht van E. M. EngeIbert. Coll. Goldberg 34, fol. 129.
5 Coll. Goldberg 34, fol. 30, nr 163.
6 Coll. Goldberg 34/35.
7 Zie noot 4.
8 Coll. Goldberg 29.
9 Enige bijzonderheden over Noordhollandse klederdrachten uit deze tijd trof ik nog aan in een vrij onbekend werk van een niet genoemde schrijver „Het Vaderland” (Amsterdam 1791). Op blz. 286 wordt de vrouwendracht te Krommenie als volgt beschreven: „geplooide Wachten of Vrouwerokken, sluitende Kazekienen of Vrouwejakken, en nette Kappen, Hulsels van Neteldoek enz. met Ooryzers, daar by een Kaper die over de schouders afhangt”. Een goed gravuretje van een Zaankantse ("niet alleen zoals men haar op het zeer bekent Zaandam, maar ook hier en elders aantreft"), een dito van een Markense (die „in hare kleeding de oude Hollandsche dragt van over eenige eeuwen” doet zien) en twee van Zee-Dorpelingen ("van eenen Visscher en eene Visscherin, zoo als zij ons doorgaands, meest evenwel langs de stranden voorkomen") verluchten t.o. blz. 300 de tekst. Op blz. 345 komt de hoofddracht ter sprake: „De Kapsels der Vrouwen verschillen in Enkhuizen van de gewoone Noord-Hollandsche Kappen, elders wel Hoornsche Kappen genoemt, byzonder in dit Oord bekent onder den naam van Enkhuizer Kappen, die meer overeenkomst hebben met de Kappen der Vrouwen op de Zeedorpen en daar omstreeks, gelyk ook met die te Vlaardingen en Maassluis; waar uit het my toeschijnt dat deze Kappen tot de eigen dragt der Visscherinnen behooren, of van die Ingezetenen des Lands, die zich met en door de Visschery generen, die bevorderen en nog door geene Uitheemsche dragten verbastert zyn. In de Ryp echter draagt men de zoogenoemde Hoornsche Kappen.” Na de opmerking, dat in Amsterdam de tongval van „de Haarlemmerdykeren en Eilanderen zeer onderscheiden is van dien der overigen Amsteldammeren", wordt over het kapsel der Haarlemmerdijkse vrouwen het volgende onthuld: „het was ter zyde en achter zwart met een tuit, en 't hair gedeeltelyk bloot, voorts met een strook van kant, driehoekig met een tip of punt naar 't voorhoofd, gedekt” (blz. 346). Voorts zie men de meer bekende werken uit het begin van de negentiende eeuw van E. Maaskamp, H. Greeven en G. Johnson.
10 R. C. Hekker, Nieuwe bouwstoffen voor de geschiedenis van de Noordhollandse boerderij. De Speelwagen, 6e jrg. 1951, blz. 203-212.
11 Zie hiervoor: W. C. H. Staring, Lijst van alle Binnen- en Buitenlandsche Maten, Gewichten en Munten. Schoonhoven 3e druk 1885.
12 Voor oude geschriften betreffende de Noordhollandse landbouw raadplege men: B. W. A. E. Sloet tot Oldhuis en van W. J. D. Iterson, Proeve eener opgave van Bouwstoffen voor eene Geschiedenis en Statistiek van den NederIandschen Landbouw Den Haag 1874.
13 Zeer uitgebreid vindt men de oude zuivelbereiding trouwens ook beschreven in J. le Francq v. Berkhey, Natuurlijke Historie van Holland. Dl IX, Leiden 1811.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.