Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1953 » No. 1 » pagina 29-32

Allemanswerk

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 8e jaargang, 1953, No. 1, pagina 29-32.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

Moeder De Noo

Antwoord op de vraag van de heer H. de Noo betreffende het balliedje „Moeder De Noo”.1
Dat was oorspronkelijk geen balliedje, maar werd op zangerige toon gezegd onder het bikkelen.
Ook in Hauwert was het een balversje in 1934. Daar luidde het:

Moeder Menooi
Daar pikt me een vlooi.
Hij pikt me al weer:
Dat is iedere keer.
Zij liet er een vallen
Van boven af neer.

Dit laatste had betrekking op de bikkel, maar kon prachtig overgebracht worden op de bal, toen het bikkelen in 't begin dezer eeuw was uitgestorven. De kinderwereld is zuinig met zijn rijmen. Want heel zelden maken ze die zelf. Wel maken ze er variaties in. In Den Haag heet het:

Moeder, in 't hooi
Daar pikt me een vlooi, etc.

Het kan best wezen, dat een kind onder het bikkelen aan haar moeder heeft gedacht en begonnen is met: „Moeder De Noo”.
Maar dan is dat al minstens vijftig jaar geleden.

M. Zwaagdijk

1 Zie: „De Speelwagen”, 1952, blz. 231.

 

Herder, laat je schaapjes gaan

Met belangstelling lees ik ook altijd over vroeger gespeelde kinderspelen. Maar één spel, dat wij als kinderen speelden, ben ik nog niet tegengekomen. Als we met een groep jonaens dit speelden - bij voorkeur in de schemering - werden twee jongens als herder en één als wolf aangewezen. De herders stelden zich op een vast punt aan de dorpsweg op (bijv. een brug) op een afstand van ca 100 m, terwijl de wolf zich daar tussenin verdekt opstelde. De rest speelmakkers (schaapjes) groepeerde zich bij één der herders. Dan kon het spel beginnen. De Herder, die zich alleen bevond, zette z'n handen aan de mond en riep:

1e herder: Herder laat je schaapjes gaan.
2e herder: Ik durf niet.
1e herder: Waarom niet?
2e herder: Van de boze2 ruige wolf niet!
1e herder: De boze ruige wolf zit gevangen
tussen twee ijzeren tangen;
ziet geen zon en ziet geen maan,
herder laat je schaapjes gaan.

Hierna joeg de herder de schaapjes weg, waarop natuurlijk de wolf prompt te voorschijn sprong, om te trachten een schaapje te vangen, wat ook meestal wel lukte. 't Gevangen schaap moest voor wolf spelen en dan herhaalde zich het spel. Wordt dit spel nog elders gespeeld?

IJs. Veenis

2 Mogelijk gebruikten we een ander woord; wil me niet te binnen schieten.

 

IJsvermakelijkheden in de negentiende eeuw

In de historische roman „Vrije Westfriezen”, door C. Sluys las ik dat de maand Januari 1838 verschrikkelijk koud was. Van ijsvermaak was evenwel niet veel gekomen, want het vroor te sterk. Wie niet moest ging niet naar buiten, maar bleef bij de warme haard.
Toch gingen in die winter van 1838 een aantal ijsliefhebbers van Andijk naar het Oostwouder Veldhuis om daar op de brede sloten allerlei wedstrijden bij te wonen. We lazen in het boek dat toen enige jongens aan het „Zotjeren” waren op die Oostwouder sloten. In dit spelletje gooide men met halve klinkers op een van metselstenen gebouwde toren. De afstand was vrij groot en nu was het de kunst om de halve klinkers zo over het gladde ijsvlak te doen glijden, dat ze de toren in zijn fundament troffen. Ook ringsteken en hardprikken behoorden eveneens tot de ijsvermakelijkheden. Verder zou katknuppelen plaats vinden. Vooral op het laatste verheugden de jongens zich bij voorbaat. Een oude teerton voerden ze mee en weldra werd die op een ruime plaats gezet en ving een wreed spel aan.
De jongens groepten op enige afstand van de ton samen, elk met een dikke knuppel gewapend.
Om beurten slingerden ze nu met kracht hun knuppel naar de ton. Misten ze, dan werd er luid gefloten; raakten ze, dan stegen er benauwde kreten uit de ton op. De arme poes, die in de ton was opgesloten, werd door het geweld der rakende knuppels radeloos. Als het eindelijk gelukte door een krachtige worp een der gehavende duigen te doen breken, dan kroop het geplaagde dier uit de ontstane opening. Doodsbenauwd loerde de kat om zich heen en liet zich op het ijs vallen. De vlucht, waardoor het vervolgde dier zich trachtte te redden, mislukte door het gladde ijs. Spoedig werd het weer gegrepen en werd opnieuw een prooi der baldadige knapen en hetzelfde spel kon van voren af beginnen.
Een der belhamels kwam op het idee de poes halve notendoppen onder de poten te brengen, na heel wat krabben van het verwoede dier te hebben opgelopen, gelukte het eindelijk. Nu steeg de vreugde ten top, want poes zeilde door de wind gedreven over het gladde ijsvlak en kon zich onmogelijk uit de voeten maken.
Gelukkig kon een der jongens dit wrede plagen niet aanzien en de doppen werden van de poten verwijderd, zodat het dier ontkomen kon.
Zo'n dierenvriend kon er dan op aan, dat hij 't ontgelden moest, omdat hij het spel had gebroken.

In genoemde historische roman wordt nog vermeld, dat een paar Opperdoeser jongens die dierenvriend van wege zijn tussenkomst zelfs nog een paar flinke schoppen gaven, waardoor hij over 't ijs tuimelde.
Aanvankelijk dachten de jongens dat hij bewusteloos lag, doch onze dierenvriend scheen weinig hinder van de afstraffing gehad te hebben, doch zijn belangstelling ging uit naar de vele witte bellen onder 't ijsvlak.
In verband met het voorgaande herinner ik mij uit mijn jeugd, dat we na de grote kermis, die plaats vond in 't laatst van Juli, in 't laatst van September en in 't begin van October de zgn. katjeskermis vierden.
Op drie achtereenvolgende Zondagen hadden we zo'n najaarskermis. Bij iedere herberg (drie waren er op ons dorp) werden dan volkspelen gehouden. Bij de ene zaklopen of ballenrapen, bij de andere katknuppelen en bij de laatste harddraverij van boerenpaarden. We waren wat verwaand als we zo'n harddraver naar de boerderij terug mochten brengen.
Met dat katknuppelen ging het gelukkig niet zo wreedaardig toe als boven vermeld. Inplaats van een levende kat werd een stuk hout in de ton gedaan. Zodra het een der Knuppelaars gelukte, nadat reeds vele duigen kapot gegooid waren, „de kat” er uit te gooien, had hij een prijs gewonnen.

J. H. Visse

 

Een kwestie over een afrekening in Hoorn 400 jaar geleden

„Marrichgen Gerbrants, huisvrouw van Herman Dirckss, alias Contractus, waardin te Hoorn in Dye Roode Muelen, oud een en veertig jaar, gerechtelijk gedaagd zijnde, om getuigenis der waarheid te geven op verzoek van de fiscaal der geestelijke jurisdictie van West Friesland,
Getuigt en bevestigt door haar eed, die zij deed gelijk 't recht was, waarachtig te zijn, hoe dat in de tijd toen heer Jan Graeff deken was te Hoorn ten huize van getuige door heer Jan Graeff wijn was laten halen op een kerfstok, die heer Jan Graeff bij zich thuis bewaarde. En 't is gebeurd, dat genoemde heer Jan Graeff naar haar huis zijn dienstmaagd, genaamd Job van Alcmaar, zond met deze kerfstok, om deze te betalen. En die dienstmaagd bij haar komende, zeide tot haar: „Marrichgen, wilt gij tellen en rekenen, hoeveel dat die kerfstok beloopt.” En zij, getuige, de kerfstok in haar hand nemende, ziende dat daar een stuk afgesneden was, zeide: „Dit is mijn stok niet”. De meid zeide aanstonds: „Het is toch de stok van u, waar mijn heer zijn wijn op heeft laten halen”. Waarop zij, getuige, weer zeide: „Is het mijn stok, zo is daar wat van afgesneden”. En dat horende begeerde de dienstmaagd de stok weer terug te hebben; doch zij, getuige, wou die niet laten gaan, noch haar terug geven, maar behield ze. En de maagd, ziende dat zij de stok niet terug kon krijgen, is naar huis gegaan en kwam later weer en zeide: „Lieve Marrichgen, het is een vergissing; mr Sybrandt heeft zitten snipperen aan de stok, menende, dat het een andere stok was, maar gij hebt geen schade”, en heeft haar, getuige, niet meer betaald dan op de kerfstok stond en geteld kon worden, daar zij, getuige, geen contra-stok had, zeide zij tot haar: „Hoe kan ik weten, dat ik het mijne heb, als van de kerfstok wat afgesneden is....”
Ja, zo kon dat 400 jaar geleden bij ons in Hoorn gaan, als men in de schuld stond bij iemand, die geen contra-stok bezat!

M. Zwaagdijk

Uit: Bronnen voor de Geschiedenis der Kerkelijke Rechtspraak in het Bisdom Utrecht in de Middeleeuwen, Achtste Afdeling: De Proosdij van West-Friesland door J. G. Joosting, 7e deel, 1924, blz. 484 e.v. (158). Weergegeven in de huidige spelling. Merk op, hoe de zinsbouw dezelfde is, als heden nog in de Staten-Bijbels.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.