Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1952 » No. 2 » pagina 46-57

Glorie van het ambacht

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 7e jaargang, 1952, No. 2, pagina 46-57.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: G. Husslage Dzn.

Van balk tot molenroede

Evenals met de oliemolens het geval was, waren de latere poeiermolens onderling zeer verschillend; ook de opvattingen van hun eigenaars liepen nogal wat uiteen.
Oorspronkelijk werden in de oliemolens zeer slecht gezuiverde cacaodoppen, bij wijze van opvulling, door de lijnkoeken gemalen. De eerste oliemolen, die hier een al te ruim gebruik van maakte, maalde door de zeer slechte zuivering der cacaodoppen ook een tamelijk hoog percentage cacao.
Daar de lijnkoeken tamelijk warm werden verwerkt werd de uit deze cacao geslagen cacaoboter dun vloeibaar met de olie vermengd en in deze toestand in de oliebak uitgestort. Toen de eigenaar van zo'n molen op zekere dag met de peilstok wilde opnemen hoe hoog de olie in de bak stond, stuitte hij met de stok op een tamelijk dikke laag cacaoboter, wat hem op het idee bracht deze cacaodoppen eerst te sorteren en het afval, dat niet als cacao te verkopen was, apart te gaan vermalen. Zo ontstonden de poeiermolens.
De eerste molens, die dit product onvermengd verwerkten, moesten dan ook zeer zacht malen, want men was van mening, dat anders de cacaoboter er niet goed uit te krijgen was.
De voorslags hei, die bijna altijd door een dubbele spaak in de wentelas werd opgelicht, (in tegenstelling met het naslag, dat door drie spaken werd opgelicht) werd dan ook vervangen door een enkele spaak, een éénlicht, zoals men deze noemde. Ook voor koud geslagen koolzaad gebruikte men deze veelal.
De olieslagers waren het met dit zacht malen niet altijd eens, zij toch werkten per last en hoe harder ze maalden, hoe meer ze verdienden.
Daar het uitbetaalde slagloon aan die molens voor die tijd (± 1910) tamelijk hoog was, – bij een winderig jaar kon de blokmaalder somwijlen wel 30 tot 35 gulden in de week verdienen, – waren er wel blokmaalders, die, als de duisternis intrad, bijna de gehele nacht doormaalden, maar het zeil minderden om te verhinderen dat hun loon te hoog zou worden, want dan liepen ze kans dat hun maalloon per last zou worden verminderd.
Enkele andere blokmaalders pasten een heel andere taktiek toe. Als er wind was maalden ze wat ze konden, maar dan gaven ze niet alles op. Volgden daarop dagen met slappe windjes, dan gaven ze meer op als ze werkelijk hadden gemalen en kwamen zo gemiddeld aan een tamelijk hoger loon. De eigenaar, die dit wel wist, en natuurlijk van die hogere productie ook zijn voordeel had, betaalde dit gewoon uit en deed alsof hij hier niets van gemerkt had.
De olieslagers moesten evenwel zorgen dat het percentage cacaoboter er evengoed uitkwam, zij trachtten dit te bewerken door harder te stoken, waardoor de cacaoboter meer dun vloeibaar werd en er beter kon worden „oitehaaid”, zoals ze zelf zeiden.
Glorie van het ambacht (1952, pagina 47)Eén dezer poeiermolens, – we zullen hem „Het Zwarte Paard” noemen, – of om meer in de uitspraak dier dagen te blijven „'t Peerd”, had een blokmaalder die lang niet bang was van hard malen. Het gevolg was, dat op een kwade dag bij buiig Novemberweer hij het niet nodig vond om te zwichten en zeil bleef voeren, met het gevolg dat een der beide enden (wieken) van de buitenroed afknapte, tegen de aankomende binnenroed aanbotste, waarvan ook de beide enden verbrijzeld werden, zodat de molen met een end (wiek) bleef staan.
Anderhalf veld riet (een veld is een zijde van het achtkant der molen) was door de roeden weggeslagen, benevens drie veld van de stelling. De molenmakersbaas kreeg onmiddellijk opdracht om de molen te herstellen. Daar er veel haast bij was, besloot hij om maar weer een paar houten roeden te maken, hoewel de ijzeren al veelvuldig in gebruik waren en zeer goed voldeden. Houten balken konden evenwel direct worden geleverd, dus dit gaf de doorslag.
Twee dagen later verschenen reeds twee zeer lange, zware Amerikaans-grenen balken aan de sluis.
Na 1900 lagen alle molenmakerswerven in het binnenveld, zodat alle houten roeden moesten worden geschut, soms zelfs tweemaal, als ze van de Westzijde naar de Oostzijde der Zaanoevers moesten worden overgebracht. Een normale molenroed had een lengte van 80 voet (een voet is 28,3 cm). Deze kon bijna nooit uit één stuk gemaakt worden, meestal moest aan ieder einde een las van 5 tot 8 voet gezet worden, waarbij dan nog kwam, dat als er 5 voet aangezet moest worden, ook het schuine laseinde 5 voet lang moest zijn, zodat het daarvoor benodigde laseinde totaal 10 voet lang moest zijn.
De balk, die dan zonder de lassen wel 70 of meer voeten lang was, kon niet in de sluis tussen de sluisdeuren geschut worden. Maar daarop was al sinds eeuwen gerekend, want iedere sluis had in de middendeuren een roedenschuif.
Deze roedenschuif was een rinketschuif, die zo hoog kon worden opgehaald, dat hij boven hoog water uitkwam. Het roedhout (zoals men zo'n balk noemde) werd met het uiteinde voor de roedenschuif gehaald, waarop het met een donderend geweld in de sluissloot schoot. Deze was van te voren geheel ontruimd, want alles wat in de weg zat, zou onherroepelijk in de grond geboord zijn.
Voor zover mij bekend, is de Zaandijker sluis de enige sluis, die in de Zuidermiddendeur (hoewel onklaar) nog een roedenschuif bezit.
Daarna werd het roedhout naar de werf gevaren, waar een klein sleephellinkje aanwezig was, waar het roedhout met takels en rollen op werd getrokken.
Het eerst werden de zeilzijde en de bordzijde behakt, waarna de roed „aan de lap was”, zoals men zei. Hij was dan aan twee zijden behakt. Daar de roed aan de ondereinden maar 20 tot 25 cm breed was en niet dikker dan van 12 tot 15 cm en de roedhouten 40 tot 45 cm dik waren, moesten er aan die ondereinden grote stukken worden verwijderd. Om dit te bereiken werd het roedhout over de gehele lengte om de 35 cm ingezaagd, waarna aan weerszijden van het roedhout een man met een bijl plaatsnam om beurtelings naast die zaagsnee een keep te hakken, tot de diepte waarop gezaagd was.
Die keep moest wel 10 tot 15 cm breed zijn, want daarin kwam het grote kloofmes te rusten, een zeer groot model van broodmes met een handvat van ± 70 cm lang en 15 cm breed. Aan de rug 4 à 5 cm dik.
Hiertegenop hield men een stempel, veelal een oude slagbeitel van een oliemolen (dit is de wig waarop de hei slaat), waaraan een stok voor handvat.
Hierna werd met een zware hei door twee man tegen de stempel geslagen, waarop heel spoedig een kloof hout op de vereiste diepte afknapte.
De kloven, die op deze manier ontstonden, deden wel eens dienst bij de kuipers om kleine tonnetjes van te maken. Ook de krullenjongens op de molenmakerswerven maakten hier meer kennis mee dan hun lief was. Hiervan toch moesten zij de duizenden wigjes maken, welke dienden om de hekkenlatten vast te wiggen, de zgn. hekkenwigjes.
Als de kloven er af waren werd het roedhout gekanteld, zodat de gekloofde zijden op hun kant kwamen, waarna ze met de grote bijl, ook wel aks of huks of roedbijl genoemd, bijna op de schrap gehakt werden. De schrap stond natuurlijk boven op het roedhout. Om de onderkant te bekijken gebruikte men een loodrei, een houten plankje ter lengte van de dikte van de roed, waaraan een schietlood was bevestigd, dat voor een te lood staande schrap moest hangen.
Ook gebeurde dit met de snik, ook wel steekbijl genoemd, een zeer lange en breede stootbeitel, waarmede een goed vakman heel glad over schuin over de dwarse draad van het hout kon steken, een oud molenmakersgezegde was dan ook, hakken of het gesnikt is en snikken of het geschaafd is.
Na het snikken mocht er geen enkel spoor van zaag of bijl meer te zien zijn. Was dit wel het geval, dan was in vroeger jaren de dader hiervan verplicht zijn maats op brandewijn te trakteren, zo'n mishak werd dan ook wel brandewijnshak genoemd.
Dit hakken met de bijl langs de zijden van zo'n zware balk was lang geen ongevaarlijk werk. Ketste de bijl en sloeg men daardoor mis, dan was de kans om voor in het been te hakken heel groot.
Glorie van het ambacht (1952, pagina 49)Om deze reden werden de jongmaatjes, (dit waren de jongens, die de krullenjongensjaren achter de rug hadden) welke met de bijl moesten leren werken, dan ook vaak in een tenen mand, meest een oude verpakkingsmand van ijzerwaren, gezet. Hakten ze dan mis, dan sloeg de bijl wel in de mand, maar die veerde wel mee.
Tegelijkertijd als het roedhout aan de lap bewerkt werd, werden ook de eventuele lassen er met een voorlopige spijker aan vast gezet, waarna de voor- en de achterkant op dezelfde manier bewerkt werden.
Hierna werd de roed weer op z'n kant gekanteld en werd de roedenboormal gehaald. Op deze mal stonden alle soorten van roeden aangegeven. Olie, pel-, papier- en watermolens hadden verschillende modellen van roeden. De zeeg, de holte van het zeil, van al deze molens was verschillend. De mal werd op het midden van de roed geplaatst, de gaten voor de hekkens werden verdeeld op de bordzijde. Voor ieder soort molen waren vijf of zes bepaalde hekkengaten, waarvan de vaste schuinte bekend was; deze gaten werden de rooigaten genoemd.
Op een dezer te maken hekkengaten werd met een zware guds, dopguds, een kuiltje gehakt, waarop een der molenmakers op een stellinkje plaats nam en met een avegaar of auker begon te boren in de richting, die de man achter de roedmal hem aangaf. Op dezelfde manier werden alle vijf of zes rooigaten geboord.
Daar de gaten niet haaks door de roed geboord moesten worden maar „overzij”, was voor deze richting een aparte mal, de sprong genoemd, aanwezig, waarna „overzij” geboord kon worden.
Glorie van het ambacht (1952, pagina 50)Deze naam, sprong, gaf nogal eens aanleiding tot verwarring, daar aan een molenroed nog een sprong was. Dit was de vooruitstekende voorzijde van het ondereinde. Daar de onderste drie hekken naar links naar voren kwamen, moest bij het hakken van de roede hiermede rekening gehouden worden. Indien dit vergeten werd, was het model van de roed bedorven.
In ieder der rooigaten werd nu een passende ronde stok gestoken, rooistok genoemd, welke ± 50 à 60 cm boven de roed uitkwam. Aan beide zijden van deze stokken werd nu een lijn gespannen, zodat de molenmakers slechts tussen deze lijnen hadden te boren om de goede richting te hebben.
Waren alle gaten geboord, dan moesten ze met lange beitels langwerpig vierkant worden opgestoken. Men begon met een smalle beitel, peperhuisbeitel genoemd, ± 1½ cm breed, om verstoppen te voorkomen. Oudtijds kostte een verstopt gat ook een kan drank.
Hierna opsteken met een brede beitel, 3 cm breed, roedbeitel genaamd. Deze was dik en zwaar, want op deze beitel werd nooit geslagen, er werd enkel mee gestoten.
Om die gaten niet te laten verstoppen was tamelijk veel routine nodig, want de breedste, bij de as, waren wel van 40 tot 45 cm diep.
Waren alle gaten vierkant, dan werd volgens de door de gaten aangegeven lijn de roed van scheluwte gemaakt en de winschingsscheluwte er aan gemaakt, waarna ook de banden naar dit model om de laseinden werden pasgemaakt.
Nu moest de roed nog worden gewogen. Beide einden moesten precies even zwaar zijn om de molen niet „wanwichtig”, onevenwichtig, te laten worden.
Een roedhout had een worteleinde en een topeinde. Nu was het hout van het worteleinde veel vaster en harsrijker dan van het topeinde. Om die reden werd van te voren het worteleinde al een duim, 2½ cm, dunner gemaakt dan het topeinde.
Het midden werd nauwkeurig opgezocht. Daaronder werd een ronde koevoet gelegd, waarna beide einden moesten balanceren. Was dat niet het geval, dan moest men van de achterkant zoveel afhakken, tot er evenwicht was.
Was dit gebeurd, dan was de kale stok, zo werd de roed nu genoemd, klaar en moest nog slechts opgetafeld worden; dit was het op de werf volledig optuigen alsof de roed reeds in de molen was.
Hiertoe werd de roed op twee zware schragen gelegd, alle hekkenlatten werden er in gestoken en de windborden zomen en voorzomen er op gelegd, waarna de kluften, dit waren de ondersteuningen van de voorzoom, op de hierna volgende manier werden pasgemaakt.
Die windborden was nog een belangrijke zaak, want naar de aard van de molen was hier zeer veel verschil in.
Voor een oliemolen bijvoorbeeld werden deze 65 cm breed gemaakt, met inbegrip van de brede witte voorzoom. Tussen deze en de roed werden de borden vastgemaakt, achter een schroot langs de roed de bordschroot.
Voor een pelmolen daarentegen werd voor deze breedte meestal 85 soms zelfs 90 cm breedte genomen.
Voor een oliemolen waren de gaten in de roed zo geboord, dat de 3e hekkenlat van onderen af (als de roed op de schragen lag) waterpas lag, dus evenwijdig aan de bovenkant van de roed, en dus ook evenwijdig aan de andere roed als de roed in de molen was ingestoken.
Voor een pelmolen was dit de 4e hekkenlat. Op deze hekkenlat werd nu een modelletje, – mal, zeiden de molenmakers, – geplaatst. Deze mal was een voet (28,3 cm) lang, en liep aan de roedzijde scherp toe. Aan de andere zijde was deze voor een oliemolen 3½ Amsterdamse duimen, en voor een pelmolen wel 8 of 8½duimen hoog. Dit malletje bepaalde dus hoe schuin of de bordzijde geplaatst zou worden. Men noemde dit de hoogte. Sommige pellers kwamen bij het optafelen kijken of aan hun verlangen wel voldaan werd.
De oliemolens liepen bij kleine windjes zeer licht aan, maar konden daardoor niet zwaar trekken, de pelmolens daarentegen konden bij kleine windjes bijna niet malen, maar bij sterke winden heel zwaar trekken, zonder bij vlagen direct te gaan hollen, waardoor het te pellen goed zou breken.
Een nadeel van de pelmolens was, dat de wind die tegen de molenromp botste, terugwaaiende, op de achterkant van de bordzijde veel vat had. Vele malen woei dan ook bij een pelmolen de gehele bordzijde naar voren er af.
Glorie van het ambacht (1952, pagina 52)Vandaar, dat vele pelmolens in de drie onderste heklatten, in de bovenkant der heklat en in de kluft, steunijzers hadden om dit te verhinderen. Was dit optafelen gebeurd en de roed was afgetuigd, dan moest de roed weer te water, hij werd met het ondereinde naar het hellinkje gerold. Dit einde werd aan een schouw, 'n langwerpig vierkante houten schuit, opgehangen om het in de modder lopen te voorkomen, en met een gangetje te water gelaten. Dan werd hij weer naar de sluis, naar de roedenschuif gevaren, waar het nu moeielijker werd.
De roedenschuif werd geopend en de roed er naast gelegd om wegspoelen te voorkomen. Dan liet men een stevig touw door de schuif meestromen ; hieraan was de roed vastgemaakt. Er waren evenwel 'n stuk of zes stevige mannen nodig om de roed tegen de stroom door de schuif te trekken. In de Zaan gekomen werden de roeden naar „het Peerd” gevaren, om daar te blijven liggen tot de volgende morgen.
Het was op een Novembermorgen, helder weer met een beetje grondmist en het had licht gevroren. Een ploeg van zeventien man, groot en klein, was 's morgens om half zeven al in de weer om de roeden uit de Zaan te halen.
Inmiddels had men aan de molen ook niet stil gezeten. Door de molenmakers waren de drie velden van de verwoeste stelling gerepareerd. Ook Jan de rietdekker was met zijn werk klaar gekomen. 's Winters werkte Jan op een fabriek, maar zijn klanten in de steek laten deed hij toch ook niet, hij had voor dit karweitje tijdelijk vrij weten te krijgen.
Een rietdekker heeft altijd een maat nodig, de binnennaaier, om het riet bij hem boven te brengen en om de steken van zijn bindwerk binnen vast te maken, wanneer hij zijn houten naald door het riet steekt, onder zijn geroep van: haal, effe wachte, bind, enz. Die maat kon hij deze keer niet vinden, maar de olieslagers waren vindingrijk, dat werkje kon een van hen wel doen, zonder dat de patroon dit merkte. De verdiende centen waren voor het komende feestje. De vorige dag hadden de molenmakers, die aan de molen werkten de beide roeden al op de loze wiggen gezet. Dit bestond uit het verwijderen van de definitieve eiken wiggen, en deze werden vervangen door korte, bolronde vurenhouten wiggen, die met enkele zijdelingse klappen waren te verwijderen.
Het verroeden, het vervangen der beide roeden, moest gebeuren langs het molenpadje. Toevallig was daar ook de teerdeel, dit is de brede plank, die op de bovenste molenzolder uit een raam of deur kan worden gestoken en welke door schilders en molenmakers wordt gebruikt.
De naam teerdeel stamt nog uit de tijd, toen er nog niet geschilderd, maar enkel geteerd werd.
Jaap, een grommerige oude vrijgezel, molenmaker, was dus op de teerdeel gaan staan toen de takel al opgehangen was om de onderste wiggen uit de as te slaan. De teerdeel was licht beijzeld, met het gevolg dat hij er af gleed. Met beide handen greep hij in de kop van de as en bleef hangen, ging weer op zijn benen staan en gromde tegen zijn maat, die op de kop van de as zat: „zeg maar niks hoor, het gaat heuli benede niks an„.
De molenmakersbaas had voor het verroeden een buitengewoon gunstige dag uitgezocht, voor de olieslagers tenminste, want Manus de nachtblokmaalder, ook al een vrijgezel, was jarig. Deze was evenals Klaas de blokmaalder lang niet afkerig van een spatje.
Kees de oude vasttimmerman had 's morgens al gezegd, dat men geen middagbroodje zou eten voor beide roeden er in waren.
Kwart voor een waren beide roeden er in en kregen allen hun rantsoen slokkies, de takels en het kaapstand waren weer naar beneden gekomen en opgeschoten in de touwbalies, dus gingen ze nu hun middagbroodje nuttigen.
Het kaapstand was een houten stoel, geheel uitneembaar, waarin een ± 25 à 30 cm dikke spil stond, waaromheen het uiteinde van de takel drie à vier slagen was gewonden. Boven aan die spil bevonden zich twee doorlopende gaten, waarin spaken gestoken werden. Aan ieder einde werd door twee man de rol in de rondte gedraaid, en werd zo de roed omhoog gehesen.
Glorie van het ambacht (1952, pagina 54)Door dit draaien ging het touw naar boven en moesten de draaiers er telkens overheen stappen tot het te hoog werd. Dan riep de oudste man „versaize” en werd de takel met een handige steek aan het kaapstand vastgemaakt. Draaide men even linksom en zakte het touw naar beneden, dan kon men opnieuw beginnen.
De sjouwerman en de krullenjongen werden daarna met de takels enz. naar de „worf estuurd”. De molenmakerswerf.
De gehele karwei stond onder leiding van Hein, een oude ervaren molenmaker, die wijdbeens op de as zat te commanderen; „opzette in kaapstand”, dus hijsen; „vieren voor”, 't voortui laten schieten, dus de roed naar de molenromp laten komen; „vast van achtere”, hiermede bedoelende de roed die in een klein houten schuitje (de roedschuit) stond, vast te houden, opdat hij niet onder de as door zou schieten.
Tegelijkertijd hanteerde hij een korte koevoet, die hij door ieder hekkengat dat boven de as uitkwam, verstak, want zou een touwtakel breken, dan bleef de roed op die koevoet wel hangen.
Na hun middagtijd, die al heel kort was, toonden enkele ouderen niet veel lust meer. Maar als van ouds twee roeden er in en klaar op een dag, moest kunnen.
Men ging weer aan het werk, het optafelen bleek goed gebeurd te zijn, alles klopte. Om half vijf stond de molen „in de losse hekkes”, d.w.z. alle hekkens en zomen zaten op hun plaats. Maar de spijkers waren nog niet overgeklonken, en de windborden ontbraken ook nog.
Opeens begon Kees te pruttelen „ik ken de skrappies niet meer zien”. Kees was even te voren naar beneden geweest en had gezien dat Manus en Klaas al best vrolijk waren, „hai kreeg er dorst van”.
Kees was de oudste en gaf dus het sein om naar beneden te gaan, waar het „feestlokaal” onder de platting al in orde gemaakt was.
De zaadwagen stond in de midden, hierop troonde een groote koperen ketel met waterchocolade voor de jongere molenmakers, die al anti-drank waren in die dagen. Als bespotting kregen ze een flinke papieren zak met pindas, „boekeneutjes” voor de apen, zoals er aan toegevoegd werd. Klaas en Manus kwamen al heel gauw met de drankfles, die beiden al duchtig hadden aangesproken, vanwege de verjaardag van Manus, te voorschijn. Nadat die enige malen rondgegaan was, moest er gezamenlijk gezongen worden, wat dan ook gebeurde. Het klonk niet erg welluidend.
Toen er een ogenblik stilte was, stond Klaas op en kondigde aan dat hij een voordracht zou houden, hij schraapte zijn keel en begon: „'t Is teugewoordig een slechte dag”. Even pauze. „Wel verdomme, nou weet ik het niet meer”. Gevolg veel gelach en applaus.
Weer ging de fles rond, waarop Klaas opnieuw begon en het weer niet verder wist. Nog meer gelach. Voor de derde maal probeerde hij het nog eens, maar het resultaat was en bleef nihil.
Hein maakte er nu een eind aan, doordat hij begon te zingen: „Hai is met zijn gatje in het water evalle”, wat door de rest uit volle borst meegezongen werd.
Manus wou toch de eer van het molenpersoneel redden en gaf inderdaad een voordracht ten beste, waarvan het refrein: „Boer bait je hondje nag, zand er maar over heen”, door allen geestdriftig meegezongen werd.
Glorie van het ambacht (1952, pagina 56)Inmiddels hadden enkele molenmakers al eens met Piet de jongen van de molen gesmoesd en hem uitgenodigd de olietrechter tussen zijn broekband te steken. Als hij zich dan achterover boog en een kwartje op zijn voorhoofd legde, en dit met een enkele beweging in de trechter wist te werpen, dan mocht hij dit kwartje houden. Piet wilde het proberen en stond in de voorgeschreven houding met het kwartje op zijn voorhoofd. Hij wou juist zijn zwaai nemen, toen prompt een tevoren klaar gezette halve emmer water in de trechter werd omgekeerd. Piet van onderen drijfnat en de mannen juichten.
Hein was al eens opgestaan en had buiten de deur gekeken. Het was inmiddels pikdonker geworden, hij vond het nu meer dan tijd dat dit roerige gezelschap naar huis ging.
Sinds jaren was het zijn gewoonte dit tijdstip aan te duiden door een lied te zingen dat begon met: „Heft de riemen hoog uit het water, dat met zacht geklater tot den steven spat”.
Allen stonden nu ook op en gingen zo nodig zich verkleden. Sommigen stapten in de molenpluut, dit was de tweepuntige overzetschuit van de molen. Anderen gingen langs het molenpadje naar huis. De pluut was zwaar belast. Klaas de blokmaalder moest door enige mannen in het schuitje worden aangepakt.
Zonder ongelukken bereikte men de overkant, waar men aan de linkerzijde uit het schuitje moest stappen.
Wullem, een der weinige molenmakers die geen drank gebruikte, was vasttimmerman op een andere molen, waar hij gewoon was rechts uit het schuitje te stappen. Hij vergiste zich en stapte onder gejoel in het water. Klaas zei later: „De mense die 'n slokkie ehad hadde, gonge zo maar lope heen en de are die niks ehad hadde zatte te water”.
Dit feestje had evenwel nog al wat gekost. Rietdekker, smid en molenmakersbaas hadden naar vermogen bijgedragen, maar toch was er nog een tekort. Maar Klaas wist dit te dekken, door op de „paai”, dit was de wekelijkse loon- en goederenafrekening voor de patroon, te vermelden: „Te kort van het feestje idim zoveel”. De patroon maakte hierop wel de opmerking, dat wie feest wou houden dit ook maar betalen moest. Maar tenslotte paste hij toch het tekort bij.
De andere dag moesten vier man, twee ouderen en twee jongeren, terug komen om het restant af te maken, nadat de molenmakersbaas ondubbelzinnig van zijn misgenoegen had blijk gegeven.
Het was mistig en koud, de ouderen brachten een groot deel van de dag door om de lestjes met Klaas en Manus op te maken en zij lieten de jongeren werken.
Maar toch was 's avonds de molen geheel klaar en kon „'t Peerd” die nacht de vang weer ophalen.

G. Husslage Dzn

Molenmaker te Zaandijk

Gezicht op de watermolens van de v.m. Zeswielen nabij Alkmaar
Onder Hollands vleugelen
Gezicht op de watermolens van de v.m. Zeswielen nabij Alkmaar
(Foto Jacoba E. de Haas)

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.