Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1951 » No. 7 » pagina 213-216

Enkhuizen voor 60 jaar

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 6e jaargang, 1951, No. 7, pagina 213-216.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: J. Silver.

Mijn gehele jeugd woonde ik in Enkhuizen en nu wil ik eens vertellen hoe het, omstreeks 1890, met een en ander gesteld was en wat er zo dagelijks gebeurde en te zien was. Veel is er veranderd en verbeterd, als overal. Wel zijn er dingen, die wij ouderen missen en die bij ons in goede herinnering zijn gebleven. We gingen op school bij de Heer van Es, een uitstekende onderwijzer, hij bracht zijn leerlingen heel wat bij, tot grote steun in hun later leven. Er waren 3 openbare scholen, z.g. standenscholen; en wel: de Kosteloze school, gewoonlijk armenschool genoemd, de Tussenschool en de Burgerschool.
   De stad was toen bepaald arm, de bestrating verkeerde in heel slechte toestand en veel was in verval. Venedy, Karnemelksluis en De Wegjes waren nog echt oud-Hollandse grachtjes, nog niet gedempt. Maar het water er in was altijd erg vuil en dit, gevoegd bij het meer eisend wegverkeer, deed overgaan tot demping.
   Op Woensdagmorgen hadden we kaasmarkt. In de omliggende dorpen waren er toen nog veel veehouders, die allen zelf nog kaasden en zuivelfabrieken waren er nog zo goed als niet. 't Was dan ook een drukke morgen. Veel boeren kwamen dan met hun bakwagens met kaas opdagen en maakten hun stapels op de Kaasmarkt. Het terrein stond dan vol wagens, de stallen van de „Oranjezaal” vol paarden en de Zaal, zoals men dat café altijd noemde, vol boeren en kooplui. De waag was druk in bedrijf. Kaasdragers hadden we niet, wel kaasdraagsters. Het waren niet te jonge vrouwen, die de kaas in manden naar de Waag brachten en verder.
   Veel van de verkochte kaas ging naar het „Peperhuis”, en een boot, de „James Laming”, haalde ze later weg. Het Peperhuis was toen als kaaspakhuis ingericht.
   Woensdag, tussen 11 en 12 uur speelde dan het carillon van de Zuidertoren. Het werd bespeeld door de Heer Hajenius, die een grote grijze baard had.
   Daar onze school vlak onder die toren stond genoten wij, schooljongens, altijd van die vrolijke deuntjes. We kwamen in een feestelijke stemming, ook al omdat we een vrije middag in 't verschiet hadden.
   In de winter was er veel armoe onder vissers en tuindersknechts.
   Er werd wel wat geholpen, doch in hoofdzaak in natura. Als we om 12 uur uit de school kwamen, ontmoetten we de „soephalers”. Dat waren arme drommels, die hun middagmaal zich zagen toebedeeld door de z.g. soepcommissie. Ze haalden het uit het „Soephuis”. De meesten zag men lopen met een zinken emmer waarop een houten deksel en ze repten zich om thuis te komen om het maal nog warm te genieten. Dan had men op De Dijk het „Diaconie Turfhuis”, zoals het opschrift luidde.
   Hier kregen de armen een kwantum turf en ook een roggebrood. De leverantie van die roggebroden werd onder de bakkers bij inschrijving aanbesteed. Ook op het tehuis voor Ouden van dagen stond vermeld dat de Diaconie er de hand in had. 't Was n.l. versierd met het opschrift: Diaconie Armenhuis. De oudere generatie stak haar weldaden niet onder stoelen of banken.
   Dan kon men bij ons op Vrijdagavond nog een zeer oud vervoermiddel zien, nl. een sleepkoetsje. Het was eigendom van Wouter Swier, genaamd grote Wouter, want er was nog iemand van dezelfde naam, maar kleiner van persoon. De gebruikster was Juffr. Sterken, een oude dame, die er gebruik van maakte om naar de vergadering der Regentessen van 't Weeshuis te gaan. Ze was slecht ter been, het instappen was nu gemakkelijk. Grote Wouter liep er naast en stuurde het paard, zijn zoon liep er bij met de z.g. smeerlap. Dat was een dikke stok, met aan het eind een dot lappen. Die werden telkens gedoopt in wat smeer, dat in een pot werd meegevoerd. Deze werden dan voortdurend onder de lopers van het koetsje gehouden, rechts en links om beurten. Voor lichte gang en tegen slijtage.
   Dan hadden we nog onze onvolprezen schutterij. Om de 2 weken moesten de schutters aantreden op de Melkmarkt, onder grote belangstelling van de burgerij. Er waren 3 tamboers bij en ook een muziekkorps, de schutterijmuziek. Ook de muzikanten waren geüniformeerd, met een lange degen op zij.
   Als de troepen dan stonden aangetreden kwam vol waardigheid de Kapitein Commandant aanstappen. Glimmend opgepoetst, een grote bos zwarte veren op zijn schako. 't Was de oude Heer van Simmeren. Met groot ontzag vervuld zagen we hem aankomen.
   Als de schutters dan met volle muziek door de straten trokken bleef er niemand in huis. Die tamboers hadden ook een functie als er brand was gealarmeerd.
   Dan moesten ze de spuitgasten en de schutters optrommelen. Spuitgast zijn was burgerplicht. Er waren pompers nodig, want de brandspuit was nog erg antiek. De schutters moesten het terrein van de brand afzetten.
   Was er brand, dan moesten die tamboers eerst hun schuttersuniform aanschieten en vervolgens alle straten al trommelende aflopen. Geen wonder dus, dat er afzetting nodig was, want de hele stad repte zich er heen.
   De spuiten, die lomp en zwaar waren, moesten door de bemanning zelve worden getrokken.
   Ik heb wel gezien dat 2 man er moeizaam mee voortzeulden en de andere gasten ze lieten tobben en voorbijdraafden om te zien hoe erg de brand wel was. Geen wonder dus dat de brandweer niet zoveel uitrichtte.
   Verder waren er toen veel meer wezen in 't weeshuis dan thans. Vader Kemink zwaaide er de scepter en de wezen droegen nog uniforme kleding. Door de week blauw, maar' s Zondags waren de meisjes in 't zwart, een witte borstlap om en een wit mutsje op.
   's Zaterdags lag de haven vol botters en schuiten, dan waren de meeste Noordzee-vissers binnen. Allen hadden de kor in de mast gehesen om te drogen.
   Een visafslag was er nog niet. Wie er zijn voordeel in zag, nam de vangst mee naar Enkhuizen en verkocht in 't klein aan de burgers. Ze stelden een weegschaal op op de wal en verkochten dan voor enkele centen per pond, springlevend en groot en klein door elkaar. Veel burgers zag men dan ook op Zaterdagmiddag met een „zootje” naar huis gaan. 't Was een goedkoop Zondagsmaal; vlees zagen de meesten bijna nooit op tafel verschijnen.
   Verder was er ook nog de Stadsbank van Lening, oftewel de lommerd. Die stond helemaal apart, in de tuin die bij het weeshuis hoorde, en je moest er al bekend zijn om er te komen. De beleners liepen dan minder in 't oog en kwamen niet in opspraak als ze er gebruik van hadden gemaakt.
   Vlak er bij, maar nog op straat, was de ingang van de toenmalige R.K. Kerk. Dat die ingang zo achteraf was, was nog een overblijfsel uit de dagen dat de R.K. godsdienstoefeningen slechts oogluikend werden toegelaten.
   De Parochie was maar klein, jarenlang was er pastoor Rok. Deze geestelijke deed ook veel aan sterrenkunde en mocht daar graag over praten. Een R.K. begraafplaats was er in de stad niet, de overledenen werden in Bovencarspel begraven.
   's Zondags wandelden de Enkhuizers in 't plantsoen en rond het Kerkhof, evenals nu nog het geval is. Maar de meeste vrouwen droegen nog de z.g. worteldoek (thans veel gebruikt als draperie), verder een geplooid wit mutsje met de cornet met zwarte linten er boven op.
   Industrie was er zo goed als niet, wel was de zaadhandel in opkomst. Er woonden toen 6000 mensen in de stad.
   Zo is er dus veel veranderd en verbeterd, en dat is maar goed ook.

J. Silver

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.