Archivering » De Speelwagen » 1951 » No. 6 » pagina 169-173
Eerder verschenen in 'De Speelwagen',
6e jaargang, 1951,
No. 6,
pagina 169-173.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Jan Visser.
Nederland, wat een schoon stukje schepping is dat. Het is een van de mooiste en merkwaardigste landen
der aarde en men zou het ook daarom graag in zijn geheel en tot in de verste uithoeken willen leren
kennen. De wens is nu eenmaal de vader der gedachte en wij moeten zeker ons best blijven doen, de jeugd
in 't bijzonder, om van dat vlekje op de wereldkaart zoveel mogelijk te zien te krijgen. Ik verzeker
u het is de moeite waard.
Neem nu bijvoorbeeld de kop, de noordpunt van Noord-Holland maar eens. Wie denkt er eigenlijk aan,
dat je ook langs andere wegen Huisduinen kunt bereiken, dan langs het Groot Noordhollands Kanaal.
Rijdt de Bergerweg maar uit, bij voorkeur op een windstille, zondoorzongen voorzomerdag. De hooi- en
weilanden ter weerszij staan vol madelieven, boter- en paardenbloemen, wat later in de tijd overheerst
door de felle brand, het smeulende vuur van rode zuringbloei. Het beweeglijke spel, het melodieuze
gejodel der weidevogels is nog in volle gang. En waar Cardamine pratensis vaste voet heeft gekregen,
daar wordt het oog bekoord door de zachte pracht van lila-paarse pinksterbloemen. Een vreugdevol feest
is dat, waaraan zelfs de Groenlanders deel mogen hebben.
Hoor je daar de kikkers hun bruiloftslied kwaken? De koekoek roept sluimerende gevoelens wakker, het
verlangen naar onbekende verten en geheimzinnige doringbosjes, daarginds in de Afrikaanse wildernis,
waar de vogel de winter heeft doorgebracht. Zoeloe's en Bantoe's, die ebbenhouten, kroeskoppige kerels
en vrouwen, je hoort ze koeterwalen in een taal, waaraan het oerwoud niet vreemd kan zijn. En die
verweerde stroschelf of hooimijt, daar ergens op een boerenerf, die zie je zomaar voor een kafferkraal
aan. Welja, laat gerust uw droomschip maar uitvaren, als u maar niet vergeet, dat wij onderweg zijn
naar een van onze interessantste duingebieden.
Indrukken en gewaarwordingen, je krijgt ze te verwerken aan de lopende band. Zij vermenigvuldigen zich,
wanneer je door de Heerlijkheid Bergen rijdt. Landelijk schoon, historie, kunst — dat alles komt
in levende lijve voor u te staan. Heeft het Nachtegalenlaantje geen veelzeggende klank? Spreekt de
Ruïne geen verstaanbare taal? En van de Bergense School en het Kunstenaars-Centrum heeft u toch
zeker wel eens gehoord. Woont daar aan de rand geen dichter en schrijver van naam? Heeft Adema van
Scheltema er niet geleefd en gewerkt?
Even voorbij de Vinkenbaan, opzij van het Reigerbos tegenover Duinvermaak, sla je de hoek om naar
Schoorl. Vreemdelingen kijken met ontzag naar de hoge, begroeide duinhelling op. Is het daar romantisch,
of niet? Het is meer dan schilderachtig en het kan je alleen maar verbazen, dat je het hoofd in de nek
moet leggen om die bergen uitgestoven zeebodem te bewonderen tot aan de top.
Het fietspad naar Camperduin is een uitkomst en tegelijk een weelde voor de peddelende toerist. Aagt-
en Bregtdorp, wat liefelijke en karakteristieke namen zijn dat. Klein Zwitserland, het klinkt
vergelijkenderwijs niet kwaad. De bestaande naam Schoorl, vroeger ook nog wel op andere wijze gespeld,
doet het echter heel wat beter. Hoe natuurlijk zijn ook die benamingen Groet, Catrijp en Hargen. De
oeroude Postweg, daar helemaal in de laagte, wat zou die allemaal niet kunnen vertellen van stropende
wilddieven en uilenvangers. Zwervende marskramers, vagebonderende landlopers en struikrovers, zij hebben
er hun voetsporen in het zand gedrukt. Ruiterstoeten zijn er voorbij getrokken en postillons met ouderwetse
bakkebaarden hebben er hun zweep laten knallen. Wat zich daar verder allemaal heeft afgespeeld? Vreemde
geschiedenissen, geloof dat maar vrij.
Op het gebied van natuurschoon, het blijkt telkens weer opnieuw, staat ons gewest lang niet in de achterste
rij. Flora en fauna zijn er in rijke mate vertegenwoordigd. En de bestudering er van, het hele jaar door,
is een genot op zichzelf.
Ziet u daar die rose kussens en plakkaten reigers- en ooievaarsbek? Het prille lover der berken schittert
en blinkt in de zon. De brem heeft gouden vlinders gebaard en als kantwerk, zo fijn, staan daar de bloeiende
Huitekruidschermen te pralen langs het pad.
Van het eertijds zo intieme Koekoeksbos zijn eigenlijk nog maar rudimenten overgebleven. Niettemin zendt
er de nachtegaal zijn smeltende tonen en brobbelende waterrollers de aether in. Stokoude meidoorns hebben
zich voor de zoveelste maal in bruidsgewaad gestoken en staan daar nu naarstig en bedwelmend te geuren.
Vogels, hommels en bijen en allerlei andere insecten zorgen voor passende muziek. De geelgors voelt zich
hier thuis en draait welgemoed zijn stuntelig liedje af. Ook de wielewaal laat zich niet onbetuigd. De
malse orioolroep van die groengouden sprookjesvogel klinkt boven al die geluiden uit. Dit is allemaal
nog maar de buitenkant. Bij een wandeling in en door de duinen krijg je nog heel wat anders te horen
en te zien.
Moeten wij nog trachten een beschrijving te geven van al die aardige, omlommerde huisjes, erven en hoven?
Sierlijk en vriendelijk priemt een torenspitsje tussen het geboomte omhoog. Bomen en heesters staan
overal in bloei, of hebben reeds vrucht gezet. Het ademt alles vrede, schoonheid en rust. Tot tweemaal
toe kom je een duinmeertje voorbij en daar kun je wel een hele dag liggen kijken en dromen, als je daar
lust en tijd toe hebt.
Hoe dichter je de zee nadert, hoe woester en grilliger het landschap wordt. Plotseling ontdek je blank
water en ontrolt zich rechts en vooruit een polderpanorama, dat zijn weerga niet vindt. Hier eindigt
de duinenrij en wordt de Noordzee in toom gehouden door een zware, zeker acht kilometer lange dijk:
de Hondsbosse zeewering. Daarlangs looptde weg naar Petten en van daar is de kust opnieuw door duinen
beschermd.

De Hondsbosse Zeewering gezien vanaf één van de hoofden. In de verte de onderbreking in
de duinenrij langs de kust.
Die wonderlijke weg naar Petten! O, O, wat een lang en kaal eind is dat, heeft menigeen gezegd of
gedacht. Er zou niet zo heel veel te beleven zijn, lagen daar niet die prachtige wielen ofbraken. Het
zijn voor het merendeel modderige en vrij ondiepe plassen, waar de lepelaars uit het Zwanenwater en
allerlei ruiters en ruiterachtigen voedsel komen zoeken. Sterntjes roeien krijsend of zwijgend er boven.
Kloeke bergeenden, gestoken in een bont en allerprachtigst verenpak, drijven en spelevaren wat op het
water rond. Je herkent ze onmiddellijk aan de helderrode snavel en evenzo gekleurde voorhoofdsknobbel.
Juist aan die knobbel herkent men de waard of woerd. Bonte pieren, de harlekijnachtige scholeksters kun
je er ook altijd verwachten. Zij boren naar allerlei lekkers, of staan daar maar zo'n beetje wijsgerig
te filosoferen.
De Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Vogels bezit of beheert er een vogelreservaat. Drassig
onland en water, natte en slikrijke strandjes, daar houdt al dat soort vogels van. De kluut heeft zich
definitief in de Hargerpolder gevestigd en broedt daar thans in een dertigtal paren. Gedurende de broedtijd
wordt de kolonie dag en nacht bewaakt. U kent toch die sierlijke, zwartwitte waadvogel, die daar rondstapt
op hoge stelten en met een vreemd omhoog gebogen slobbersnavel. Het vogeleiland Texel heeft er voor een
deel zijn roem aan te danken.
Rechttoe rechtaan, met hier en daar een bocht of een kluft, gaat het nu verder het Noorden in. Floristische
snuffelaars moeten maar eens uitkijken naar het Klein Schorrenkruid, naar Zeekraal en de roze rode Armeria,
die veel dienst doet als randplantje in tuintjes en zo. Met een beetje geluk is er ook de Zeewinde, die
prachtge Soldanella wel te vinden, daar in de zeereep bij Petten. Vóór 1940 kwamen wij
daar nogal eens, maar van het toenmalige dorp is weinig of niets meer te zien. Ook het oude witte kerkje
is tijdens de bezetting gesloopt en daarmee is tegelijkertijd die merkwaardige zonnewijzer aan de voorgevel
verdwenen. Had het kerkje geen bestaansrecht meer, omdat bijna niemand meer het bedehuis bezocht? Laat
men, nu Petten uit puin en vernedering herrezen is, de sprake der historie en vooral ook het woord van
Christus verstaan, dat de mens bij brood alleen niet leven zal.
Het is waar, we hebben nog een hele tocht voor de boeg. Zeker een kleine dertig kilometer. Maar de wulp
fluit zo heerlijk, de paapjes en tapuiten spelen zo opgewekt langs het pad, dat het eenvoudig niet in
je opkomt om zelfs maar aan vermoeidheid te denken. Wie hier nooit eerder geweest is, die kijkt zijn
ogen uit.
Almaar langs de duinvoet rijdend zie je mettertijd de daken rijzen van het stille dorpje Callantsoog.
Eerst passeer je echter het duingebied dat toegang geeft tot het zwaarbewaakte Zwanenwater. De lepelaars
hebben het wereldberoemd gemaakt, maar ook de meeuwenkolonies, duinroosjeshellingen en orchideeënweelde
dragen niet weinig tot de luister van het landschap bij. En een tweede duinmeer, zoals dit, bestaat er
op de hele wereld niet.
Als ik schilder was, ik zou vast en zeker een jaar in Callantsoog gaan wonen en werken en misschien
daar wel blijven ook. De winterse verlatenheid zou ik er in al zijn vormen willen ondergaan. Doek na
doek zou van die schone eenzaamheid getuigen. Kenners zouden het zien en zeggen: Kijk, dáár
is hij geweest, en daar. Dàt heeft hij gezien, en dat gevoeld. Het voorjaar zou ik gestalte geven,
doortrild van licht en wulpengefluit. De zomerzon zou boven bloeiende valleien branden. En in de herfst
zouden het de omfloerste kruinen, de schemerige dalen, de wijde polders zijn, met flarden jagende of
goud omrande wolken er boven. De zee vooral zou ik in beeld brengen. Zij zou mijn inspirerend medium
zijn en tegelijk de spiegel van eigen innerlijke bewogenheid, of kalme kracht. Ik zou, ik zou... Maar
een schilder met palet en penseel — dat ben ik nu eenmaal niet.
Muziek, muziek en — zon. Tal van leeuweriken schroeven zich naar boven, hangen daar in het mateloze
zwerk tegen het blauwe laken te kwelen. Daar ga je zo eens op je gemak een kwartiertje aandachtig naar
zitten luisteren, want je weet: de trektijd is daar voor je er goed en wel erg in hebt.
Verder maar weer, en ook hier wegen de laatste loodjes het zwaarst. Het weggetje is haast niet meer te
berijden, maar dan komt ook al gauw de vuurtoren van Huisduinen in zicht.
Trap je door naar Den Helder en sta je daar bij het woelige Marsdiep te kijken, dan bekruipt je aanstonds
de lust naar Texel over te steken, het haventje van Oudeschild binnen te varen en het eiland te bezwerven
bij dag en bij nacht. Een maand, wie weet hoeveel langer kun je daar door de bossen, duinen en dorpen
dolen, langs de wegen en langs het strand, zonder je te vervelen of uitgekeken te raken en te menen,
dat je er dan wel alles van weet.