Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1951 » No. 4 » pagina 109-113

Onze Beetser kermis een kleine halve eeuw terug

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 6e jaargang, 1951, No. 4, pagina 109-113.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: C. Visser.

Welk een spanning heerste er onder ons schooljongens als in de eerste dagen van Mei de kermisreizigers met hun vaartuigen koers zetten naar ons dorpje. Nog zie ik al die voor ons zo populaire figuren in mijn verbeelding voor mij.

Daar was in de eerste plaats wel Louis Vallentgoed van Edam met zijn luchtschommel en de oude Bregman van Zuid-Scharwoude, die altijd met zijn draaimolen op een boerenerf in de kerkebuurt zijn standplaats had. Ook de familie Vader van Winkel met de Turkse schommel behoorde tot de vaste klanten.

Ook voor het inwendige der kermisbezoekers was heel goed gezorgd.
Nog zie ik Hartland van Koedijk met zijn schuit de wijk invaren om voor de herberg „het Huis ter Beets” een plaats voor zijn koek en suikergoedskraam te vinden. Dan arriveerde er ook steevast het echtpaar Vet van Avenhorn, hij met een speelgoedkraam en zij met een oliebollenkraam, die ook een flinke klandizie hadden.

Ook de gebroeders Boots met hun koekhakstallen ontbraken nooit, evenmin als Willem Koster van Schardam met zijn gerookte paling en die ook altijd noten en mangelen in overvloed te koop had.

Wanneer dan ook nog Wijlacker met zijn grote schouwburgtent aankwam, steeg de geestdrift nog beduidend onder ons en werd er bijna gevochten om de eer materialen naar het padstuk, waar deze tent altijd verrees, te helpen brengen, want wie zich daarbij het vlijtigst toonde had ook de meeste kans om daags voor kermis programma's der te geven voorstellingen rond te mogen brengen, wat natuurlijk een of meer vrijplaatsen tot beloning gaf.

Wanneer men dan slechts een glimpje zag onder de over te brengen materialen, van de helgekleurde reclameborden, b.v. van het sensatiestuk „De levende brug” gevolgd door de operette „De groene duivel,” dan scheen een bezoek aan de komedie, zoals de ouderen zeiden, wel het toppunt der kermisgenoegens.

Scheen, want ook hier was het in zekere zin, na het oude komt het nieuwe. Wat toch gebeurde?
In die week voor kermis meerde er aan het schoolerf ook een vrij grote tjalk. Schipper en verdere opvarenden waren hier volslagen onbekend en spoedig werd er tussen hen en de schooljeugd contact aangeknoopt, waardoor wij al gauw wisten dat de lading bestond uit de kinematograaf van Schinkel. Hoewel er zo goed als niemand onder ons wist wat levende beelden, zoals het schippersknechtje ons uitlegde, waren, begrepen wij toch, dat het een grote bezienswaardigheid temeer zou zijn. En toen de volgende dag een standplaats was gevonden en een begin gemaakt werd met de opbouw, waren wij daar bijna niet meer vandaan te krijgen, vooral toen het ons bleek, dat er ook een machine bij te pas kwam, want jongens voelen zich nu eenmaal altijd aangetrokken door al wat machine is. We konden die kermis daar terdege van genieten, want ten overvloede verscheen er die dagen nog een vermakelijkheid, die voor de Beets een unicum was, n.l. een stoomdraaimolen.

Het was wel niet zo'n mooie grote als die van de Dobbelaere, die altijd met Purmerender kermis op de Kippenmarkt stond, maar er kwam toch van het schip een kleine staande locomobiel (zo iets als bij heiwerk wordt gebruikt) te voorschijn en toen eindelijk de machinist arriveerde, werd hij met bewondering door ons bij zijn montagearbeid gadegeslagen.

Het drong toen nog niet tot ons door dat een dergelijke grote kermis op een klein dorp waarschijnlijk funest zou worden in financiële zin voor de kermisexploitanten.

Eindelijk kwam de Zondagmorgen. Gelukkig mooi weer.
Reeds tijdig reden er zgn. gastenwagens, die gasten aanbrachten, o.a. van het naburige Warder, want er bestonden toentertijd nogal veel familierelaties tussen dit dorp en de Beets, hetgeen na enige weken, wanneer het Warderkermis was, zich in omgekeerde zin herhaalde.

De bakkers, die nog van geen Zondagsrust afwisten, liepen het hele dorp nog af (fietsen werden nog niet door hen gebruikt) met hun manden vol bestellingen. Met de kermissjouwers waren zij de vorige dagen al bij de klanten rondgeweest.

De huismoeders hadden handen vol werk om alles voor elkaar te krijgen en slaakten ongetwijfeld een zucht van verlichting als het kermismaal achter de rug was en wij in onze nieuwe pakjes en liefst met een flinke hoeveelheid pasmunt in de knip vol voorvreugde van het kermisgenot de kerkebuurt opzochten.

Spoedig daarop ging alles open en begonnen het orgel van de luchtschommel en dat van de draaimolen, die tegenover elkaar stonden een wedstrijd, waarin het volume van het luchtschommelorgel het sterkst bleek, voornamelijk met de toen bekende schlager:

Hebt gij de vreugdekreet gehoord
Der boeren van Transvaal?

en het telkens terugkerend refrein:

En de boeren hebben 't overwonnen,
Hiep, hiep, hoera, hiep, hiep, hoera.

Na van alles zo'n beetje genoten te hebben, zochten we om een uur of vier de tent van Schinkel op.
Met grote mooi geschilderde hoofdletters prijkten boven langs het voorfront voluit de woorden Electrische Kinematograaf en met bewondering keken wij naar de baas1, die juist bezig was de petroleummotor, die op het voorplatform der tent stond, aan de gang te brengen.
Hoewel het de slapste tijd van het kermisbezoek was: de boeren en hun personeel moesten te melken, ging er toch tamelijk veel publiek naar binnen. Waar de meesten van ons jongens nog wel een dubbeltje rijk waren, (het tarief voor kinderen was geschikt genoeg) gingen ook wij naar binnen en kregen naar onze mening de beste plaats, n.l. op de voorste banken en wachtten toen vol ongeduld de wonderen af, die wij op het grote witte laken zouden te zien krijgen.
Het eerste tableau was, als ik mij goed herinner, een gezicht op de Dam te Amsterdam. Met verbazing zagen we het verkeer van die dagen: paardentrams, rijtuigen en voetgangers, zich in het stadsbeeld voortbewegen.
Naatje van de Dam stond nog, onbewust van haar naderende verdwijning, fier op haar voetstuk en het publiek in de tent applaudisseerde voor een dergelijk wonder der techniek. Het gestamp en de doordringende petroleumreuk der motor werden als dingen beschouwd, welke er nu eenmaal bijbehoorden.
Daarna kwamen er allerlei kleine tableau's uit de toenmalige filmkunst en eindelijk beelden uit de Transvaalse boerenoorlog. Deze sloegen eerst recht in en bij het aanschouwen der martiale gestalten van een optrekkende kolonne Boeren naar het oorlogsterrein geraakte je onwillekeurig in geestdrift, want heel Nederland was in die tijd pro-Boer en fel anti-Engels; de jeugd niet het minst.
Het was dan ook geen wonder dat onze smid, die ook aanwezig was en als enthousiast bewonderaar der strijdende Boeren met stentorstem het lief aanhief:

Kent Bij dat volk, vol heldenmoed. enz.,

dadelijk bijgevallen door alle andere aanwezigen, zodat het gezang binnen voor buitenstaanders het gestamp der motor bijna overtrof, wat weer een goede reclame was voor de volgende voorstelling.
Genoeg te zeggen dat het publiek met volle tevredenheid de tent verliet en gedachtig het door Schinkel na het laatste nummer uitgesproken: „verzoeke ieders recommandatie”, familie en kennissen een bezoek aan de kinematograaf warm aanbeval.

Tegen de avond werd het weer drukker, waarvan natuurlijk ook de twee herbergen met hun dansmuziek profiteerden.
Ook trokken velen naar de schouwburg, waar het echter beduidend minder vol was dan vorige jaren, toen er nog over geen levende beelden gedacht werd.

Ja, die eerste dag daar moest het voor de kermismensen van komen. 's Maandags was er veel minder volk op de been, omdat gasten en veel vreemden van elders ontbraken. Maar wij genoten even goed, want de karretjes in Gorters stoomdraaimolen reden even hard en de schuitjes van Vallentgoed vlogen evenals Zondags bijna tot aan 't zeil toe. Schinkel vertoonde weer een geheel nieuw programma en in de „komedie” was 's middags een kindervoorstelling en 's avonds werd het nieuwe successtuk „Dreyfus, de banneling van het duivelseiland” opgevoerd, wat wegens het actuele veel publiek trok.

Gelijk er echter aan alle dingen een einde komt, zo was dit ook van toepassing op onze kermis en als je dan 's Maandagsnachts het Westeinde, waar ik woonde weer opzocht, dan was dat min of meer met een gevoel van weemoed, dat die twee heerlijke kermisdagen weer voorbij waren en de laatste verwijderde klanken der orgels klonken je bijna als treurmuziek in de oren.

Een oud-Beetser

C. Visser

1 De heer N. H. Schinkel, die nog steeds boven het door hem gestichtte bioscooptheater te Purmerend woont.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.