Archivering » De Speelwagen » 1949 » No. 8 » pagina 240-243
Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 4e jaargang, 1949, No. 8, pagina 240-243.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: R. P. Meijer.
Met groot genoegen aanvaarden wij de uitnodiging van „De Speelwagen” om iets te schrijven over het
werk van de Centrale Commissie voor Onderzoek van het Nederlandse Volkseigen. Deze Commissie, die
ingesteld is door de Afdeling Letterkunde van de Koninklijke Nederlandse Akademie van, Wetenschappen,
omvat op het ogenblik o.a. de volgende afdelingen: één voor Dialectologie, één
voor Volkskunde en één voor Naamkunde.
Nog in de vorige eeuw dacht men, dat de dialecten een verbastering waren van de algemeen beschaafde
omgangstaal (het A.B.) en keek men met souvereine minachting neer op degenen, die dialect of "plat"
spraken, of zich met de studie van dialecten bezighielden.
Langzamerhand ging men beseffen, dat de zaak precies andersom lag en dat de dialecten de grondslag en de
bouwstenen van dat A. B. waren. Dit eerherstel bracht een groeiende belangstelling voor de dialecten met
zich mee en het resultaat was, dat men zich steeds meer ging verdiepen in de rijkdommen van de Nederlandse
streektalen. Weliswaar was die belangstelling in het begin zuiver dilettantisch en was men er meer op uit
een rariteitenkabinet aan te leggen dan een werkelijk systematische verzameling van taalmateriaal te
verkrijgen, maar toch heeft de taalwetenschap van het werk van deze eerste enthousiaste verzamelaars
veel profijt getrokken. Tegen het einde van de vorige eeuw ging de taalwetenschap zich ernstig met de
optekening en bestudering van de dialecten bezighouden en kwam het dialectonderzoek steeds meer in het
centrum van de filologische belangstelling te staan. Er verschenen een groot aantal dialectmonografieën
en dialectwoordenboeken, en er werden verschillende klank- en woordkaarten gepubliceerd. Voor West-Friesland
beschikken wij bijv. over het werk van Dr G. Karsten "Het dialect van Drechterland", dat een volledige
grammatica geeft van het dialect van die streek, met een uitgebreide woordenlijst. Hoe interessant het
leven van de woorden in een dialect veelal kan zijn, bewijst een enkel geval uit deze woordenlijst reeds.
De Westfriezen zullen stellig de uitdrukking kennen "op redut zijn", d.w.z. boos, kwaadaardig zijn. In
een later verschenen artikeltje geeft Dr Karsten een verklaring van deze uitdrukking. "Redut" is een
vervorming van het oude woord "reduyt", dat beantwoordt aan het Franse "réduit", een soort
verschansing of vesting. Wanneer er bij een beleg een bres in de stadsmuur was geschoten concentreerde de
gehele verdediging zich op het "reduyt", en dat werd dan de plaats waar het hevigst gevochten werd. Zo
kreeg "op het reduyt zijn" de betekenis van "verwoed vechten" en tenslotte van "boos zijn". (Tijdschr.
v. Ned. Taal en Letterk. 55, 174. vgl.). Vaak komt het ook voor, dat in een betrekkelijk beperkt gebied
als West-Friesland dezelfde zaken met totaal verschillende woorden worden aangeduid. Een mooi voorbeeld
hiervan zijn de benamingen van het uitsteeksel aan de zeis, waaraan de houten steel wordt bevestigd. In
Zuid-Holland en een deel van Noord-Holland is de meest voorkomende benaming: arend. In de omgeving
van Alkmaar noemt men dit deel ham en meer naar het oosten zegt men haek en heekel.
Nog verderop, in Drechterland, spreekt men van hiel en moiter. En nog een groot aantal
andere specifieke woorden kan men in West-Friesland horen: de voederbak voor het varken heet er bijv.
zeunis, de hooiberg: kopberg, vijzelberg of vijzel. Ook heeft het Westfries
verschillende woorden aan het Frans ontleend, die niet in de algemene taal terecht zijn gekomen. Zo
komt het woord hapskeer (zonderling) waarschijnlijk van het Franse happe-chair, dat
gerechtsdienaar betekent. De kweeste (ontleend aan het oudfrans quester-trachten te winnen)
is thans in onbruik, maar bij het horen van het woord zullen de oude Westfriezen elkaar nog wel eens een
knipoogje geven. En dan is er nog werkwoord koeverere (opschieten), dat men wel in verband brengt
het Franse recouvrer. Ook uit andere talen zijn soms woorden in Westfries gedrongen. Zo schreef
Dr P. J. Meertens, de secretaris van de Centrale Commissie, in het tweede nummer van het dialecttijdschrift
"Taal en Tongval" een artikel over "Een Engelse zwerver in Den Helder". Die zwerver is een straathond,
die in Den Helder aik genoemd wordt, en die zijn benaming waarschijnlijk te danken heeft aan de
Engelse matrozen, die in Den Helder steenkolen losten en het beest uitscholden voor "damned tike".
Al dergelijke studies zijn van groot belang voor de taalwetenschap, die met behulp van deze gegevens tracht
een geschiedenis van de Nederlandse taal op te bouwen en een beeld te geven van de wording van het Algemeen
Beschaafd. Om deze studie te stimuleren werd in 1930 te Amsterdam de Dialectencommissie opgericht, die nu
functionneert als Afdeling Dialectologie van de Centrale Commissie. Vanuit het bureau van deze
commissie wordt sinds 1930 - met een korte onderbreking gedurende de oorlog - ieder jaar een lijst met
vragen op het gebied van de Nederlandse dialecten naar de medewerkers gezonden.
Soms wordt er op deze lijst gevraagd naar termen uit het landbouwbedrijf of uit het huiselijk leven, dan
weer naar namen van lichaamsdelen of vogelnamen, een andere keer korte zinnetjes ter vertaling in dialect.
De medewerkers van de Commissie, die verspreid zijn over het gehele land, zijn mensen uit alle sociale
lagen der bevolking: men vindt er boeren onder en studenten, onderwijzers en arbeiders, hoogleraren en
huisvrouwen. Zij vullen de lijsten in en sturen ze terug naar het Dialectenbureau in Amsterdam, waar ze
verder bewaard blijven en voor elke serieuze onderzoeker ter inzage liggen. Uit het materiaal, dat deze
lijsten bevatten, wordt de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland samengesteld, waarvan op het ogenblik
4 afleveringen van elk 15 kaarten zijn verschenen. Deze atlas is een rijke bron voor taalkundige studies
en is dan ook al uitgangspunt geweest voor vele onderzoekingen.
De afdeling Volkskunde werkt op soortgelijke wijze en stuurt ook eens per jaar een vragenlijst uit.
Op deze volkskundelijst wordt gevraagd naar Paas- en Kerstgebruiken, naar kinderspelletjes en volksgeloof,
oude volksliedjes, kortom alles wat verband houdt met folklore. De Westfriezen hebben de naam van nuchter
te zijn, en misschien is dat de oorzaak van het feit dat er nog maar zo weinig oude volksgebruiken in
West-Friesland in leven zijn. Op enkele plaatsen gelooft men nog aan watergeesten en dwaallichten, men kan
soms een moeder tegen haar kind horen zeggen: "Kom niet te dicht bij het water anders trekt de Bullebak je
in de sloot", Maar het oude gebruik om met Pasen grote vuren te ontsteken, zoals men dit in andere streken
van ons land nog doet, is in West-Friesland bijna geheel verdwenen; de Ketelmuziek, waarmee men een
boosdoener uit zijn dorp verdreef, heeft enige tientallen jaren geleden voor het laatst geklonken. En
alleen de oudste Westfriezen zullen zich uit hun jeugd het "wagentje rijden" herinneren met de
consequenties, die een ontmoeting met een zwart schaap had. Toch worden nog wel sommige volksgebruiken in
ere gehouden, vooral ter gelegenheid van het feest van Sint Maarten. Door heel West-Friesland worden dan
op 10 of 11 November de bekende bedeltochten gehouden: een lange stoet kinderen trekt van huis tot huis,
met lampions of lantaarntjes, op enkele plaatsen nog met rommelpot en mombakkes, zingend van: Sinte Sinte
Maarten, De kalvers dragen staarten, enz. om, als de deuren te lang gesloten blijven, over te gaan op:
Sinte Maarten, de deur is vast
Sla die kerel op zijn bast
Geef dat wijf een dikke zoen
Dan zal hij de deur wel open doen.
Ook van al dit volkskundig materiaal zal mettertijd een atlas worden samengesteld. Een aantal kaarten
zijn reeds getekend en wachten slechts op de mogelijkheid van publicatie.
De afdeling Naamkunde, die op het eind van het vorige jaar werd opgericht, houdt zich bezig met de
inzameling van namen van landerijen, percelen, velden enz., waartoe ook elk jaar een vragenlijst zal worden
uitgezonden.
Terwijl deze verzameling van taal- en volkskundemateriaal dus van eminent belang is voor de wetenschap, is
er ook nog een andere kant aan de zaak. Het is bekend, dat door de steeds toenemende centralisering en
nivellering de oude streektalen en streekculturen hand over hand teruggedrongen worden, totdat ze tenslotte
geheel verdwenen zullen zijn. Hoeveel volksgebruiken en karakteristika van gewestelijke culturen zijn al
niet onherroepelijk verloren gegaan? Een van de doelstellingen van de Centrale Commissie is dan ook deze
verdwijnende dialecten en volksgebruiken vast te leggen en ze althans op papier voor het nageslacht te
bewaren. U kunt ons hierbij van grote dienst zijn door U als medewerker van de Commissie op te geven en
jaarlijks onze vragenlijst in te vullen. Door onze financiële positie kunnen wij dit werk niet
honoreren, maar aan de andere kant brengt het voor U geen kosten mee, daar wij uw porto geheel vergoeden.
Ons adres is: Trippenhuis, Kloveniersburgwal 29, Amsterdam-C.
R. P. MEIJER
wetenschappelijk assistent bij de Dialectencommissie.