Archivering » De Speelwagen » 1949 » No. 5 » pagina 148-149
Eerder verschenen in 'De Speelwagen',
4e jaargang, 1949,
No. 5,
pagina 148-149.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: A. J. Schneiders.
In het nieuwe tijdschrift „Taal en Tongval”, eerste aflevering, schrijft Jo Daan een
studietje over het gebruik van de term „hereboer”.
Gezien de verscheiden structuur van het boerenbestaan in verschillende streken, ligt het voor de hand,
dat dit woord niet overal dezelfde inhoud heeft. (Is ook niet een Noordhollandse boer een andere
„boer” dan de Groningse?)
In Vlaanderen is een hereboer een rijke landbouwer, die als een heer leeft; in Groningen
de eigenaar van een boerderij, die het beheer ervan aan een chef-knecht overlaat; in Holland
iemand, die door z'n afkomst niet tot de boerenstand behoort, maar uit liefhebberij het bedrijf uitoefent:
een heer die ook boert.
Maar ook wordt het - op dezelfde plaatsen? - gebruikt voor wèl een boer, maar een rijke, die
weinig of geen boerenwerk verricht, ofschoon hij naar z'n leeftijd daartoe best in staat zou zijn. Hij
heeft in de regel een functie in het polderbestuur en (of) in de Hervormde kerk (ouderling), of (en)
in de boerenleenbank, gaat voor z'n genoegen dikwijls ter markt - in 't kort: een luxe-boer. Slechts
zelden heeft (had?) hij meer ontwikkeling dan de gemiddelde praktizerende boer. (In de stad heeft men
vaak de opvatting, dat de hereboer een man van ontwikkeling, van cultuur, is.)
Te merkwaardig om niet even te vermelden, is het door mij in mijn jeugd te Obdam waargenomen
taalfeit: dat daar een boer, een praktizerend boer, „De Hereboer” heette, en die naam
dankte aan de omstandigheid, dat hij voor een rijke dokter, die een stuk land bezat, elk jaar een
achttal koeien inkocht ter vetweiding en die dan tegen het najaar voor die „heer” verkocht.
Men noemde die boer daarom „de hereboer” (: boer van, voor, de „heer”), en nog
heet z'n zoon zo, die voor de erven over enkele stukken grond „rentmeestert” . Maar dit
is een afgeleide, een bijkomstige kwestie. In hoeverre tot de naamgeving van De Hereboer de omstandigheid
van invloed is geweest, dat deze een broer had, eveneens boer, en buren van elkaar, weet ik niet. Wel
heette de laatste „Boertje” (hij was de minder kapitaalkrachtige). De naam van de ander,
„De Hereboer”, was echter geheel vrij van de klank van „onechtheid”,
„vlees noch vis”, halfheid - een klank die het woord bij menig niet-boer eigen is. -
Ongetwijfeld zal „Taal en Tongval” door enquêtes en uit de literatuur tot resultaten
aangaande het gebruik van dit woord komen.
De een doet zus, de ander zo.
Je krijgt ik weet niet wat cadeau.
De aarde is nu eenmaal rond.
Laat draaien maar, en blijf gezond.
Jan Visser