Archivering » De Speelwagen » 1949 » No. 3 » pagina 77-82
Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 4e jaargang, 1949, No. 3,
pagina 77-82.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Jan Mens.
V
De eerste levende ziel die ik in Broek in Waterland ontwaar, is m'n collega C. J. Kelk: dichter,
romanschrijver èn criticus, bekend, beroemd en gevreesd. Hij staat warempel in een slagerij en
onderhandelt met de baas over een paar malse kalfslapjes - aldus duidelijk demonstrerend, dat ook een
dichter niet alleen van de wind kan leven. Een scherpe kop achter brilleglazen. Kelk woont reeds negen
jaar in Broek, hij brengt me lekker op streek wat de bezienswaardigheden betreft. En die zijn er in
Broek, veel meer dan ik gedacht had.
Het is daar wél een karakteristiek waterland, Broek en omgeving. Vaartjes, bruggetjes, eenden,
schuitjes met prachtig-bruine turf en een legertje geduldige vissers, wachtend op de kanjers zó!
En alles overkoepeld door een immense lucht vol dikke wolkendotten, zó afgeschraapt van een
schilderij van Liebermann. Water en wolken, d
át is het kenmerk van Waterland. En het is
verwonderlijk, hoe dit water zijn weerslag heeft gevonden in de namen der Broekers. Als ik op het
stille kerkhofje loop onder de treurwilgen, dan lees ik op de zerken de namen van Dobber, Kikker,
Visser, Bark, Plas en Haringhuizen. En hoeveel zal ik er nog hebben overgeslagen?
Broek moet men meer bezien als een stemmingsbeeld, dan wel als een bouwkundige grootheid. Een
stemmingsbeeld van rustige huizen, overschaduwd door een oude kastanje en een knoestige wilg. Heerlijke
huizen staan er in Broek! Met veel hout aan de gevel, versierd soms door prachtig-gesneden consoles
en kraagstukken, met een deurkalf, waarin een leeuw te brullen staat, omrankt door korenaren. Wél
is het te merken, dat deze houten gevels niet het onderhoud hebben gekregen, waar ze recht op hebben:
Broek schreeuwt om verf! Maar toch, ondanks dit tekort, ruil ik graag mijn bovenhuis voor de woning
van mijn vriend P. Snieder, schoenmaker van professie. Wat een huis! Om al je vrienden te gast te
vragen, zonder dat ze elkaar één handbreedte in de weg behoeven te leggen.
En dan baliekluiven we weer, de handen in de zakken, kris-kras door het dorp. Langs het groen-overlommerde
Havenrak, een komvormig watertje, met bies gezoomd, met kroos beslagen, met een wit lustpriëeltje,
waarin je heerlijk Edmond Rostand's „Cyrano” zou kunnen lezen, of misschien wel Jacob van
Lennep's „Klaasje Zevenster”. En Chinese thee drinken uit kopjes van porselein, of een
slokje parfait d'amour uit een glanzend kelkje en af en toe knabbelen aan een boterjanhagel... Het is
die zalige rust, welke je daar bevangt, al kan je bij helder weer duidelijk de vuilverbranding van
Amsterdam zien liggen. We gaan langs het Roomeinde, een weggetje dat zó naar de hemel schijnt
te leiden, ware het niet dat een foei-en-foei lelijke school ons er aan komt herinneren, dat de weg
ter zaligheid bezaaid is met voetangels en klemmen.
Even later hangen we over een bruggetje. Een vaartje om uit te tekenen, zo mooi. Ik vraag aan een knaap,
die ijverig het gras tussen de stenen wiedt, hoe het heet. – De De, meneer. Ik noteer het en hij gluurt
in m'n boekje. – De zónder e, wijst hij mij terecht. Gewoon 'n D, meer niet. Ik stel voor, om
aan deze Deen D.-day te wijden, maar een vreedzame dan. Doch we moeten voort: er is nog zóveel
te zien daar in Broek. Aan het Leeteinde ontdek ik een kruidenier, hij woont in een pronkstuk van een
huis, met een bronzen zon in het bovenlicht. En ik bedenk, dat het toch jammer is dat de suiker nog
niet van de bon is, anders was ik er naar binnen gestapt. Teneinde de zoetheid te genieten van een
binnenhuis, anno 1740.
De zoetheid van een binnenhuis, dat is de zoetheid van Broek. Het lijkt alsof de tijd daar heeft
stilgestaan, of alle leed en misère dezer boze wereld aan dit dorp is voorbijgegaan, op de een
of andere raadselachtige manier. Het is er zo knus en intiem, alsof je op visite bent bij een oude,
lieve overgrootmoeder met zilvergrijs haar. En die je, gezeten naast de schouw met blauwe tegeltjes,
vertelt van heel, héél vroeger, toen Broek nog bewoond werd door fiere scheepskapiteins
en stoute bootslieden die, in de jaren huns ouderdoms, een woonst kochten in het dorp om er uit te
rusten van hun verre voyagiën over de zeven zeeën...
Toch blijkt het, dat er ook pessimisten wonen daar in Broek. Want wat ter wereld moet de man bezield hebben, die nu nog een veldje met tabak poot voor zijn huis? Een kettingroker misschien? Of doet hij het om de bloemen? Ik weet het niet. Peinzend kijk ik de rook van m'n Fifty-Fifty na en bedenk, dat één gek meer kan vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden...
VI
Broek bezit ook een kerk. En wat voor een! In den beginne kaniker niet goed uit wijs worden. Er
hangt een bordje aan van de A.N.W.B. en dat vermeldt woordelijk: ±1573 ±1585, heeft
tusschen 1628 en 1639 een travee aan de hoofdbeuk afgestaan. Toren 1648, herbouwd in 1727 en 1780,
hersteld 1868. Er moeten dan wel heel wat stormen over haar hoofd zijn gegaan, over deze kerk in
het stille Broek. We treden er binnen, schroomvallig gaan onze voeten over de grijze zerken. Er is
veel en prachtig eikenhout, de banken zijn versierd met kunstig-gesneden leeuwtjes, spiegelglad door
de vele generaties van mensen, die er strelend hun hand over hebben laten glijden. Zie, dat is zo
machtig mooi, te kijken naar dingen waarvan men weet, dat geslachten na geslachten dit alles hebben
aangeraakt. Er is een mooi doophek, en er is een juweel van een preekstoel, geheel uit ebben- en
sakerdaanhout gemaakt: menig meubelmakersoog zal zich hier aan verlustigd hebben. De preekstoel werd
in het jaar 1685 geschonken door het bruidspaar Jan Simonsz. Rijser en Grietje Jans. Laten wij de wens
uitspreken, dat ze met dit waarlijk vorstelijk geschenk van edel hout een vurenhouten bankje in de
hemel hebben verdiend.
Och, wat een mooie dingen bezit deze kerk, een waar museum van kostbaarheden. Er hangen drie kronen,
geschonken door drie Broeker maagden in 1642: nú nog worden ze de maagdenkronen genoemd. Het
verhaal doet denken aan het Amerikaanse sprookje van de gouden-, de zilveren- en de witte maagd, maar
het speelde in Broek. En nóg meer kaarsenkronen ontving deze kerk ten geschenke; stap op een
stoel en lees waarom dit gebeurde. „De tempel te doorligten schoon, geeft Jan Miesenryser desen
croon, schenkt hem 0 Heer het eeuwig ligt, hier en hiernae een reyn gesicht Anno 1654”. Klim dan
op een andere stoel en lees met ontroering: „Cornelis van Bente, maakt Gods huys bij testamente,
een milde gave seer schoone, en nog twee koperen croonen Anno 1654”. Zó deed men dat in
de Gouden eeuw.
Waar moet ik nog meer op wijzen? Ga er zelf eens kijken. Misschien dat ge onder de bekoring raakt van
het sublieme glas-in-lood raam, geplaatst ter herinnering aan de brand van 1727. Des kosters vrouw
verklaart ons de zinnebeeldige bedoeling van dit gebrandschilderde raam, ze legt vooral de nadruk op
het symbool van de brede en de smalle weg. Kan ik er iets aan doen dat, nu het licht gezeefd naar binnen
valt, ik bij het zien van dit raam moet denken aan een glas Bourgogne, waar een zonnestraal doorheen
speelt?
Even later beklimmen we de toren. Het is een smalle en donkere trap, en ik stoot lelijk mijn arme hoofd
aan een balk. En dan staat er nog wel op het kaartje, dat de koster mij verkoopt: „Toegangsprijs
ƒ 0.15. Verhoogd met vermakelijkheidsbelasting”. Wat je maar vermakelijk noemt. Op de
eerste verdieping ontdek ik een kleine verzameling oudheden: een brandspuit en nog wat rariteiten, en
daar zie ik warempel een kwitantie ter voldoening van de 100e Penning uit 1710! Griezelig geval. En
daar hangt achter glas een verzameling Franse Assignaten uit 1792, vodjes papier uit de Eerste Republiek,
even gedevalueerd als de Mark na de eerste Wereldoorlog. Hoe komen deze dingen toch in Broek? En
nóg wonderlijker is het, dat een naasthangend biljetje vermeld: Voor verzamelaars zijn nog
enige van deze hoogst zeldzame biljetten ten Gemeentehuize verkrijgbaar à ƒ 1,- per
stuk. Geheime schatgraverij in Broek?
Ja toch, er zijn geheime schatten daar verborgen. Want ligt niet in de kerk onder een grijze steen begraven
Neeltje Cornelis Paater, gestorven in 1789? Schat- en schatrijk moet deze vrouw zijn geweest, de legende
heeft zich er schielijk meester van gemaakt. Want spreek eens met een echte Broeker over deze dingen
- hij zal u vertellen dat, ergens, een grote schat verborgen moet zijn, de millioenenschat van Neeltje,
die nu nog de erven in beroering houdt. Het is verleidelijk om er meer van te vertellen, maar daarvoor
zijn we niet Broekwaarts getrokken. We bedanken des kosters vrouw voor haar begeleiding, doen een paar
stappen links uit de flank en dan staan we op de Erven voor een karakteristiek houten huis, genaamd
Hildebrand, het werd gebouwd in 1740. Hier domiliceert niemand minder dan onze vriend Jo Spier, wie
kent zijn fijne tekeningen niet? Spier zelf is niet thuis, pas vertrokken met de „Oranje”
naar Indonesië, maar zijn vriendelijke gade heet ons van harte welkom. Even later drinken we
pittige koffie, knabbelen aan een boterjanhagel en praten over kunst in het kwadraat.
Een oergezellig huis, dat „Hildebrand”, zoals Hildebrand zelf een gezellige kerel moet
zijn geweest. Een huiskamer met een plattebuiskachel, zó een, waar Anton Coolen altijd van
vertelt. Er komen tekeningen voor de dag van Peter, de zoon, die zal de voetsporen van zijn vader wel
volgen. We babbelen gezellig en Celine, het dochterkijn, werpt af en toe een woordje mee door het
gesprek En ik hedenk zo, dat al het gezoek naar aftandse schatten in Broek toch weinig om het lijf
heeft. Want wie er opuit is om een werkelijke schat te zoeken: hij moet eens behoedzaam aan de deur
kloppen van huize Hildebrand! Maar ja, tot dergelijke wijsheden komt men pas, als de jaren van dit
schatzoeken voorbij zijn... Jammer!
Zo nemen we afscheid van Broek, het schattigste plekje in Waterland. De zon kaatst lichtglanzen over
het rustige water van het Havenrak, een dorado van ingetogen stilte. De vissers in de Broekervaart
beturen hun dobber gelijk een paar uur geleden, als monniken zitten ze te mediteren aan de waterkant.
We lopen het kippebruggetje op naar de halte van de tram, er staat een bord aan een paal: een zwarte
koe temidden van een cirkel van vurig rood. „Verboden voor vee”, zegt Maarten, ten bewijze
dat hij een helder moment blijkt te hebben.
Even later komt het trammetje uit Amsterdam aanrammelen. Met een gezelschap vreemdelingen: hoornen
brillen en elegante newlooks in alle formaten en prijzen. Zullen ze uitstappen? Neen, gelukkig. Ze
gaan Broek voorbij, op weg naar de „show” te Marken. Hoe dit komt? Misschien hebben deze
in kudden levende buitenlanders zichzelf herkend in het bord met de rode cirkel!
En dan, prompt op tijd, arriveert onze tram. Feestelijk vol blauw en wit uit Volendam. Nog even kijken
we om naar dat kleine Broek in Waterland, het ligt daar als een verschoten bladzij uit een oud missaaltje.
Ja, we zouden er willen wonen als het ons te druk wordt in het leven. Maar niet voor altijd. We moeten
zeker weten, elk half uur weg te kunnen: de deur moet op een kier blijven!