Archivering » De Speelwagen » 1948 » No. 2 » pagina 39-40
Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 3e jaargang, 1948, No. 2,
pagina 39-40.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: C. J. Schouten.
Nu de droogmaking van de twee noordelijke polders van het IJselmeer een voldongen feit is, zal binnen
afzienbare tijd het project der beide zuidelijke polders eveneens verwezenlijkt worden. Dit laatste zal
van zeer grote invloed zijn op Hoorn, dat eensdeels zijn bestaan als havenstad dan nagenoeg geheel zal
beëindigen en mogelijk anderdeels door zijn ligging nabij een pas ingepolderd gebied een nieuwe
taak zal krijgen.
Ten aanzien van de aansluiting van het landverkeer van de stad naar dit nieuwe achterland, bestaan
verschillende meningen. Het plan van de Directie der Zuiderzeewerken publiceerde Ir V. J. P. de Blocq
van Kuffier in „De Ingenieur” van 19 Juli 1946. Hierin schrijft hij onder anderen dat,
daar het randkanaal bij Hoorn om technische redenen buiten de oude kust moet blijven, buiten deze stad
een vrij grote wateroppervlakte in stand zal blijven, hetgeen de aesthetische waarde van het uitzicht
op de stad zeer ten goede zal komen.
Verontrustend evenwel is het feit, dat op het plan de aansluiting van de polder op Hoorn plaats grijpt
door middel van een brug, die als een pijl gericht is op het centrum van de oude stad. Dit betekent
dus vooreerst een doorsnijding van het prachtige en imponerende waterfront en tweedens een ingrijpende
verandering in de aanleg en het karakter van de oude stad, hetgeen volkomen in strijd is met de moderne
stedebouwkundige opvatting, die het verkeer buitenom de oude stad leidt. Zeker is het, dat het open
en naar de zee gekeerde karakter van het Zuidoostelijke deel van Hoorn zeer ernstig geschaad zal worden
door de naar de stad toespringende punt van de nieuwe polder en de moderne brug, die het waterfront in
twee helften uiteen zal doen vallen.
Wil Hoorn zijn oud karakter bewaren, dan zal een groot aaneengesloten watervlak voor de stad geprojecteerd
moeten worden en vervalt hiermede de directe aansluiting.
Zeer zeker zal de bewonderaar van landschapsschoon deze visie ten zeerste toejuichen, nu hij wandelend
op de dijk aan de overzijde van het meer, een prachtig vergezicht zal hebben op de stad, hetzelfde
panorama, dat nu slechts de enkele vissers, zeilers en vrachtvaarders waarnemen.
Verdere voordelen zijn o.m. het scheppen van gunstige voorwaarden voor het opbloeien van een nieuw
watersportcentrum op het Hoornse Hop en het korter worden van de polderdijk en het polderkanaal, dat
naar Hoorn leidt.
Als consequentie van deze opvatting, zal de nieuwe aansluiting verder naar het oosten geprojecteerd
moeten worden, namelijk daar, waar het waterfront ophoudt een meer te zijn en overgaat in het randkanaal
tussen de nieuwe polder en het oude vaste land. Als meest geschikte plek springt dan in het oog
„De Nek”, vanwaar een nieuwe weg buitenom langs Hoorn op de provinciale weg uit zal komen.
Deze omweg is, afgezien van het verlies van 29 km² cultuurgrond, het enige belangrijke nadeel.
Een nadeel echter, dat niet overschat moet worden, daar de gemiddelde afstand van polder naar de stad
slechts 6 à 7% langer wordt.
Weliswaar maakt men een fout, door de directe verbinding van Hoorn met de nieuwe polder af te snijden
en een toegang 5 km verderop te ontwerpen, een fout, die tot consequentie heeft, dat het verkeer zich
waaiervormig concentreert op een fictief centrum (de brug over het randkanaal), maar, daar het de vraag
is of Hoorn in de toekomst het werkelijke middelpunt van de nieuwe polder zal worden (zie Kolhorn en
Medemblik), moeten ook de gevolgen van deze fout niet overschat worden. Voor de dagelijkse behoeften
der inwoners zullen zeer zeker de nieuw te stichten poldercentra voldoen en voor ziekenhuizen,
onderwijsinstellingen enz. zal Hoorn vooreerst de aangewezen plaats blijven.
Duidelijk is, dat de nadelen van de oplossing van een groot aaneengesloten waterfront voor de stad
onderdoen voor de grote, hierboven aangehaalde voordelen. Niet met genoeg klem kan dan ook aangedrongen
worden op de doorvoering van dit plan, een plan, dat van zeer grote betekenis zal zijn voor het behoud
van een stuk cultuurbezit in ons gewest.
Delft, 6 Aug. 1947.
C. J. Schouten
Lectuur en gegevens:
„Driemaandelijks Bericht betreffende de Zuiderzeewerken”", October 1941.
„De Ingenieur”, 19 Juli en 18 October 1946, 28 Maart 1947.