Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1947 » No. 9 » pagina 266-272

Door het land van Radbout, Coen en Paludanus (I-II)

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 2e jaargang, 1947, No. 9, pagina 266-272.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Jan Mens.

I

Te Hoorn, in de herberg „Het Wapen van Amsterdam”, kan je wel bier krijgen maar geen koffie. „Dat komt van de gasfabriek”, zegt Groenwoudt en hij bekrabt zorglijk zijn kale professorenschedel. Er blijkt een mankement te zijn aan de gasleiding. Het water wil niet koken en daarom drinken we melk, zo uit de koe geperst.

Je zit er niet slecht, daar in die gelagkamer. De ronde stamtafel glimt als was hij pas gepolitoerd; dat komt omdat vijf generaties herbergiersvrouwen er bij elkaar duizend potten boenwas op hebben uitgesmeerd. Als je goed kijkt, kan je er de oude Hoofdtoren in zien spiegelen. We eten onze boterhammen belegd met zijn schaduw, en ondertussen vergast de waard ons op de zilveren klank van het glaswerk, dat pronkt in het buffet. Een oude, zachtgroene bokaal; een roemer met de hand beschilderd, waarin alle kleuren van het Hoornse Hop gemengd zijn — je zou dat glas graag ad fundum en op de gezondheid van alle goede mensen leegklokken. „Ik kan er muziek op maken”, vertelt Groenwoudt, „zo maar met de hand”.
„Eenvoudige liedjes?” vraag ik.
„Nee man, hele opera's!” Hij maakt een beweging of ie geesten gaat oproepen. „Vroeger dee' ik 't nog wel. Maar wie luistert er tegenwoordig nog naar?” Groenwoudt schudt z'n wijze hoofd en kijkt peinzend uit het zijraam naar het bordje: „Italiaansche Zeedijk”.

Ja, wie luistert er nog naar; wie kijkt en luistert nog naar oude dingen? De glorie is vergaan, een nieuwe geest is in de harten gevaren en viert hoogtij in het Winston Theater aan het heerlijkste aller pleintjes, genaamd Roode Steen. Charles Trenet in de film Frederica, aanvang als gewoon. Daarin kunt u zien hoe, volgens een plaatselijke vetslaggever, „drie lieftallige jongedochters door Trenet uit het gareel worden gewipt”. Een aantrekkelijke bezigheid, hoewel de beeldspraak mank gaat. Desondanks zou ik haar toch willen toepassen op de bouwmeester, die dat fijne pleintje de doodsteek gaf met die ellendige gevel van die ellendige bioscoop. En Jan Pieterszoon Coen, die in stilte al maar het werkwoord dispereren staat te vervoegen, kijkt bedenkelijk naar de affiches: veel benen enzo. Het verhaal gaat dat Coen, die bij zijn leven geen blad nam voor de mond, in donkere nachten steeds maar onheilspellend „Jakatra! Jakatra!” mompelt. Zij die weten willen wat dat betekent, slaan het geschiedenisboek op bij het jaartal 1619.

... ze wekken herinneringen aan een grote tijd

... ze wekken herinneringen aan een grote tijd

Die te Hoorn komt om het standbeeld van Coen te bekijken, moet dit doen vanachter het kapitale smeedijzeren hek van het Museum. Standbeelden doen het in Holland nooit zo best. Maar wanneer je ze beziet door een wonder van smeedkunst, gaat het. Het lijkt of de maker van dit hek zijn hart heeft doen meekloppen, toen hij de hamer sloeg op het witgloeiende ijzer. Zó smeden is dichten-in-metaal, misschien is het wel bidden...

Dat prachtige Roode Steen te Hoorn! Gaaf, gaaf, behalve... De charmante Waag, de trotse gevel van het Museum, ze wekken herinneringen aan een grote tijd. Wat weten we er nog van? Als Maarten op de blauwstenen stoep zit te tekenen, staat er een paar joggies over zijn schouder te kijken.
„Hoe oud ben je?” vraag ik er een.
„Ikke? Elf!”
„En weet je wat dat voor een standbeeld is?”
„Dat is Jan Pieterszoon Coen!”
„En wat heeft-ie gedaan?”
„Da' weetik niet!”
Pacifisten zullen zeggen: gelukkig! Maar toch meen ik, dat sommige Hoornse schoolmeesters iets meer aan heemkunde e.d. moeten doen. Want het bleek dat het hele troepje kijkers er geen weet aan had. En dàt is toch al te gek...

We dwalen door Hoorn. Het lijkt of de Tijd er heeft stilgestaan, zo puntgaaf is alles nog. Er hangt een weemoedige herinnering over de grachtjes, het is er zo stil en vol gestorven licht. Somtijds doet het aan Brugge denken, de „scoone”, als je het van z'n beste kant bekijkt. Een bruggetje met schier Middeleeuwse keitjes geplaveid; een smal grachtje; een rij boompjes; een bloeiende jasmijn. En in het grachtje een tjalk vol prachtig-bruine turf, een bruin waar Breitner zo dol op was, en Vincent van Gogh. De Bierkade droomt als een peinzende Vermeer in het gezeefde licht, uit de betrapgevelde kaaspakhuizen wasemt een duffe maar toch aantrekkelijke geur. Kijk door zo'n zestiende-eeuws venstertje, dan ziet ge een zuiver etsje van Rembrandt. Een weegkorf, en op de achtergrond in de schemer de honderden schimmelige kaasjes, netjes in 't gelid. Ge dempt uw voetstappen onder het gaan, alle overbodig geluid is uit den boze. En zo, peinzend en dromend, belanden we bij de haven. De H.N.6 en de H.N.17 en de H.N.23 laten hun pittige reuk van teer en taan te onzer ere vlieden, en van de aal, die voor de beurs van een auteur niet te betalen blijkt. Ja, de vis wordt duur betaald...

We vluchten voor die dure prijs naar de Slapershaven, waar de slag op de Zuiderzee in het fries van drie huizen staat gebeiteld: de Bossu Zeeslag 1573. Het moet er toen warm hebben toegegaan in het Hoornse Hop, er is daar geducht gevochten:

Tot eer van haer geslagt, tot lof van dese daed;
Die klampen hem aen boort, die weten noch wel raedt.
Hier is een Hoorens Hop, daer gaet het op een veghten;
Daer siet men 't eene schip vast aen 't ander heghten.
Daer siet men reghte liefde, daer doet men onderstant,
Daer veght men sonder gelt, voor 't lieve vaderland.

De Noordhollanders „sonder gelt” wonnen de slag en Cornelis Dirkszoon voerde Maximiliaan de Hennin, graaf van Bossu, triomfantelijk als gijzelaar naar Hoorn, waar de wonderlijke vlootvoogd gevangen werd gezet. Niet in de „Krententuin”, die was er toen nog niet. Een foeilelijk bouwsel, die Krententuin, een dubbele straf als je dáár gevangen wordt gezet... We wagen een schuchtere blik aan de ijzige gevel, waarin node het „Perinde ac cadaver” ontbreekt en vluchten door de Oosterpoort de stad uit. De Oosterpoort, die als een kostbare stenen schrijn te dromen staat onder een hemel van Delfts porselein. En waarin ik, als het toch beuren moet, liever tien jaar zit tegen één in de Krententuin...

II

Het gras geurt fris, het IJselmeer ligt zonder rimpel. Waar gaan we heen, welke ster zullen we volgen? Maarten weet het niet, en ik evenmin. Het is gek dt je altijd „ergens naartoe” moet, een mens is onderweg tot het einde. Ons ergens naartoe blijkt Schellinkhout te moeten zijn, omdat de zachte bries die kant uitwoei. Schellinkhout, denk er niet te min over: het bezit 581 inwoners, op de kop af. Een ervan is meester Klomp, die er waarachtig niets aan doen kan dat zijn school het uitzicht beneemt op dat prachtige kerkje, hetwelk in 1578 door de gemeente gebouwd werd, Ad Majorem Dei Gloriam. We maken kennis en drinken koffie met het vriendelijke schoolmeesterke, en dan staan we in het kerkje onder de tongewelven. Het is er stil, zo stil als het in een kerk stil kan zijn. Er ligt zand op de vloer, het koper glanst, al durf ik er om te wedden, dat de kaarsenkronen de oude kronen niet meer zijn... Er is een goed orgel, de weduwe C. Koster schonk het in 1872, gelijk met de statig gebonden psalmboeken en bijbels.

Zie nou zo'n stoel en zie nou zo'n bankje Zie nou zo'n stoel en zie nou zo'n bankje

Een ogenblik gaan we zitten op een stoel, anno 1940. Lelijke stoelen staan er in het kerkje. Maar gelukkig: de stoven zijn mooi! Ze zijn uit 1808. Zie nou zo'n stoel en zie nou zo'n stoof. Nimmer kon overtuigender bewezen worden, hoe schoon het handwerk was en hoe lelijk de moderne techniek kan zijn. Wie voor deze stoelen verantwoordelijk staat weet ik niet — in geen geval zal het ds. Bolland geweest zijn, die zijn emeritaat geniet te Schellinkhout. Ds. Bolland, zoon van de beroemde professor, zal wel zóveel begrip van de „Zuivere Rede” gehad hebben, dat hij de kerkelijke gemeente niet opscheepte met zulke stoelen...

We dwalen om de kerk, die nodig onder handen genomen moet worden. Gelukkig houdt Monumentenzorg een oogje in 't zeil. En dan beklimmen we de toren. Een rechte trap van minstens duizend treden, nog een en nóg een: dan staan we hijgend bij de klokkestoel. Alles van eerlijk eikenhout. En ik peins, hoeveel stroeve apostelenkoppen er uit dat hout gesneden hadden kunnen worden, en hoeveel koorbanken... In de stoel hangt de bronzen luidklok, gewijd aan de heilige Martinus, een voorbeeld van deugdzaamheid en een vriend der armen. Wie op de elfde November het feest van Sint Maarten viert, wete, dat dit oud gebruik zijn oorsprong vindt in de sterfdag van een edel mens.

Heerlijk ligt het vrije Westfriezenland onder de blauwe hemel

Heerlijk ligt het vrije Westfriezenland onder de blauwe hemel

Bong! Bong! De hamer valt op het brons, het is twee uur. Maarten grijpt de veder en schetst in rake lijnen de oude stoel, en het uitzicht uit de galmgateil. Heerlijk ligt het vrije Westfriezenland onder de blauwe hemel, het IJselmeer glanst als een grote zilveren schotel in de zon. Aan de oever duiken twee blanke gestalten op, ze staan tot de heupen in het water, ik denk aan zeemeerminnen. Doch meester Klomp is een prozaist en vertelt dat het twee Schellinkhoutse jongedochters zijn, die het aardse stof van hun slanke leden spoelen. Evengoed is het een aantrekkelijk schouwspel.

Schellinkhout heeft nóg meer bezienswaardigheden. In het Raadhuis hangt een plank, in sierlijke schrijfletters vermeldend: In, Het, Jaar, 1770, De, 10e, November, Heeft, Gerrit, Mereboer, Alhier, Verkogt, Aan, Pieter, Sweed, Een, Vet, Schaep, Levendig, Bij, De, Pond, Voor, 2 St. 12 Pen. 't Pond, Wegende, 165 Pond.

Een schaap van 165 pond is geen kleinigheid. En 2 St. 12 Pen. is niet veel. Je wordt er warm van als je er aan denkt! En we worden warm! Even later spartelen we (wijl de jongedochters verdwenen zijn) in het IJselmeer en bezien van het water uit de ranke spits der Martinuskerk, die is om uit te tekenen zo mooi. Als onze zorgen weggespoeld zijn, verlaten we met een dankbaar hart Schellinkhout, een klein paradijsje aan het IJselmeer. En waar u toch eens moet gaan kijken, als het u te druk wordt in het leven.

Hoewel het jammer is, dat je bij paradijzen immer aan vijgebomen en slangen moet denken! Apropos — wist u dat het wapen van Schellinkhout een boom met vijf kwelende vogels voorstelt? Idyllischer kan het niet! En daarom geloof ik dat het met de slangen wel zal loslopen...

Volgende aflevering

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.