Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1946 » No. 3 en 4 » pagina 82-87

Mijmerij over Mei

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 1e jaargang, 1946, No. 3 en 4, pagina 82-87.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Jan Mens.

... waarin een hartstochtelijke kikker kwaakt (Tekening: M. Oortwijn)
... waarin een hartstochtelijke kikker kwaakt (Tekening: M. Oortwijn)

Als het allerlaatste houtblok verglimmert in de haard – en het weerbericht steevast meldt: „Temperatuur om het vriespunt” – dan puren we kracht uit de herinnering.

Dan zweven de gedachten weg naar zon en voorjaar, naar bloemen en blauwe luchten. En dan opeens staat het haarscherp voor mijn ogen, het beeld van bloeiende bongerds, helgroene weiden bespikkeld met boterblommen, kroosbedekte sloten waarin een hartstochtelijke kikker kwaakt...

Het beeld van mijn geliefde: de Beemster!
Wanneer was het ook weer? Ver vóór de oorlog, ja. In de dagen dat er vierhonderdduizend goede vaderlanders met hun duimen zaten te draaien. In de jaren toen de spinazie bij tonnen op de vaalt werd gesmeten. En toch: het was Lente! En we bezaten ieder een behoorlijke fiets – Jan en ik. En op een stralende ochtend keken we elkaar eens aan.

„Waar zullen we dit keer naar toe gaan ?” vroeg de vader. „Eens kijken,”zei Jan, die op school Noord-Holland leerde. „Heb je zin in Purmerend?”
„Waarom juist Purmerend?”
„Heb de meester over verteld. Belangrijke handel in vee, kaas en hout. Geteisterd door de watersnood van 1916!”
„Top!” zei ik. En verbaasde me in stilte om zijn meester, die dat er allemaal in had weten te pompenl En zo peddelden we een uur later langs het zilverblinkende Noord Hollands Kanaal, negeerden Watergang en Ilpendam, zongen een lustig liedeke en wuifden speels naar een blonde schippersdochter, die aardappels zat te schillen voor de glimmende kajuit van de „Eben Haezer”, schipper Jongkint Alkmaar 300 ton. Evenwel, wij reden harder dan de Eben Haezer hakkepufte, en wijl de blonde dochter ons niet noodde ten noen, stevenden we opgewekt aan op Purmerend.

Ik was er nimmer geweest, – er in niet. Wel er langs. Heellang geleden toen ik nog een onschuldig jongske was, placht ik mijn „grote” vacantie door te brengen in Den Helder, het stormnest aan de kop van Noord Holland. Ik maakte de reis erheen met het oude maar oergezellige „bootje van Zur Mühlen” – en ik hoop u er t.z.t., als „De Speelwagen” geen koetsje van onfortuin zal blijken te zijn, over te mogen onderhouden. Welaan dan, Purmerend was voor mij terra incognita. En het was wél met vreugdige gevoelens, dat wij er binnen vielen.

Ik spreek geen kwaad van Purmerend. Het was er lang niet ongezellig. Er werd veemarkt gehouden en dat trekt! We streken vorstelijke koeien over de warme schoften, kletsten biggetjes met-een-kleur-als-marsepein op de billetjes en gaapten naar de almaar handjeplakspelende boeren. En als een koop gesloten was, klosten koper en verkoper een klein kroegje binnen, waar een pittige geur uitwalmde van Hulstkamp en Karel I.

Maar toch, ook van de biggen kun je genoeg krijgen. We doorliepen een paar straatjes, keken hier en neusden daar – maar eerlijk: het trok mij niet bovenmate. En ik dacht zo, dat de grote slopers uit de eeuw onzer vaderen er wel danig aan het opruimen zouden zijn geweest...

Jan wist er meer van! „Hier heeft vroeger een groot slot gestaan,” zei-ie opeens. Ik keek hem aan.
„Hier?” vroeg ik. We stonden bij het stationnetje van de tram. „Nou ja – hier ergens in de buurt, „ wist Jan. „Het slot van de Heer van Purmerland.”
„En hebben ze het afgebroken?”
„Ja,” antwoordde Jan. „Anders zou 't er nog staan!”
„Jammer,” meende ik. Werkelijk! ik meende het! En ik meen het nog. Ik vervloek den man, die de sloopbeitel durfde steken tussen de voegen van het machtig muurwerk, waar eens Heer Eggaert een onderkomen had. En niet alleen omdat Eggaert volbloed Amsterdammer was en bovendien graaf Willem uit de financiële nesten hielp...

Een kleine afwijking. Ter ere van Willem Eggaert. En ten schande van de slopende vaderen. En tevens om mijn telg het bewijs te leveren, dat ik ook iets van de geschiedenis weet! Ik vertelde Jan van graaf Willem de Zesde, hoe hij z^ó op Eggaert gesteld bleek, dat hij aan de edelen brieven richtte, die hen hun ogen zullen hebben doen uitwrijven.

„Ken je zo'n brief?” vroeg Jan verwonderd. „Natuurlijk,” zei ik losweg. En spoot op:
„Ick beveele ende recommandeere U Lieden boven alles myn goede Vrindt Willem Eggaert, en sult hem wel bewaren, en soo hem in myn afwesen eenig ongeluck overkomen, ja al waer 't by gevalle een pan of tegel van de Daecken op syn hooft viele en hem krenkte, 't zelve U Lieden zal geweten, en op U verhaelt worden”.

„Nou,” zei Jan, „daar hoor ik van op!” En ik had al het plan nog meer historie te spuien, ware het niet dat Jan mij terughield door op te merken, dat we niet eeuwig konden blijven treuren over dat Eggaertse slot. „Wat zullen we nou doen?” vroeg-ie.
„Purmerend bekijken,” vond ik.
„Hebben we al gedaan.”
„Nou ja, maar niet goed,” weersprak ik. Enfin, we liepen, – fiets aan de hand, – een paar straatjes door, zwalkten langs een groen singeltje, kwamen op een grachtje. Met een bruggetje. Gingen het bruggetje over...

En toen gebeurde het. Want óver dat bruggetje hing, gespannen tussen twee stevige iepen, een spandoek. Koeien van letters: Bezoekt de bloeiende Beemster!
Bloeiende Beemster: daar had ik nimmer van gehoord. Ik kende de bloeiende Betuwe. En de IJselstreek: Vianen, Lexmond etc. Maar de Beemster... „Heb jij daar op school van gehoord, Janus?”
Jan weifelde. Toen schudde hij bedachtzaam z'n hoofd. „Nee, daar heeft meester nooit wat van verteld, „ bekende hij eerlijk.
Ik wees op het doek; Jan volgde mijn hand. „Zullen we?” „We zullen,” zei Jan.
We zwaaiden onze benen over het zadel. En daar gleden we over een heerlijke betonvloer zomaar het paradijs binnen!

*   *
*

De spraakmakende gemeente gebruikt nogal vaak het woord: „Openbaring”. Ik heb dat nooit goed kunnen vatten. Maar op die prille Meidag van het jaar 1935 ging mij een licht op. Dit, dit wat ik toen zag met eigen ogen, het was een scherfje van de Openbaring, een onthulling van een geheim.

De Beemster een openbaring... Misschien glimlacht ge. En denkt:
„Nu ja, 'n Amsterdammer! Een tikje geschift!” Goed. Ik stel er prijs op een tikje geschift te zijn, het heeft me menig goed uur gebracht. We gleden dus voort door een lange laan met heerlijk geboomte, sloegen op goed geluk een zijweg in.
„Roekeloos,” zult u zeggen. Ja. Maar ik houd het met den geestigen Priestley, die ergens zegt dat er hemelen zijn, slechts toegankelijk voor roekeloze mensen. En ook deze keer kreeg hij gelijk! Trap links, trap rechts – aan weerszijden een warme weelde van bloeiende appel- en perelaars, springfonteinen van juichend rose en wit. En daartussen wit-pluizige lammetjes, komiek stappend op hoge beentjes, verwonderd over alles en niets... Langzaam, heel langzaam, devoot bijkans, trapten we door deze heerlijkheid, dit aardse Eden, dit veld van Esdrelon. Ik gevoelde me gelukkig, volkomen en rechtuit. Jan, die nimmer lijdt aan sterke emoties, blijkbaar óók. „'t Is hier tof!” zei-ie.

Daar had ik nu uren voor gereisd, vroeger. En hier vlak bij, vijftien kilometers van Amsterdam, onder de róók dus, lag een droomtuin en ik wist het niet.

Zondigen in onwetendheid, het wordt u en mij niet zwaar aangerekend. En toch, tóch gevoelde ik temidden van deez' bloesemende weelde behoefte aan straf, aan innerlijke loutering. Ik gevoelde iets goed te moeten maken, maar hoe, waarmee? Was ik feitelijk niet reeds gestraft, door deze Edenshof zoveel jaar buiten mijn leven te sluiten?

„Hoe zullen we nu gaan,” onderbrak Jan mijn gepeinzen.
„Naar de kant waar het goed is,” zei ik.
„Dat is het overal,” vond Jan. Hij sprak hiermee een diepe wijsheid uit, doch hij wist het niet... We gingen voort, een slakkengang, en bereikten een kruisweg.
„Links om,” zei ik. Uit gewoonte. En ook deze keer was het goed.
Aan het eind van de weg piekte een torentje en wij er op toe.

... aan het eind van de weg piekte een torentje (Tekening: M. Oortwijn)
... aan het eind van de weg piekte een torentje (Tekening: M. Oortwijn)

„Midden Beemster,” zei Jan. En stapte af. Pal voor een monument.
„Da's Leeghwater,” kwam Jan.
„0”, zei ik.
„Die heeft de Beemster drooggemaakt.”
„Een heel karwei,” merkte ik droog op. Bekeek het monument eens. Het beviel me maar half. Het leek me toe dat die Leeghwater een erg hoge borst zette... En ik beken daar niet tegen te kunnen.

„Rijke Amsterdammers hebben Leeghwater geld gegeven; en toen heeft hij de Beemster leeggepompt,” oreerde Jan dapper. Ik knikte vagelijk. Ik wilde er kwalijk aan. Mannen met hoge borsten plegen geen water te pompen. Hoogstens spelen ze in hun jeugd: „Twee emmertjes water halen, twee emmertjes pompen”. Maar later – zwijg er over.

„En hier in Midden Beemster heeft een tent gestaan. Want toen de Beemster droog was, kwam Prins Maurits kijken. En toen bedankte hij Leeghwater. En toen mocht hij helpen de tafel bedienen.”

0, die heerlijke, didactische lagere school! Jan voer voort over z'n Leeghwater. Dat-ie schrijnwerker was geweest. En dat-ie een boek had geschreven over de droogmaking van de Haarlemmermeer enzovoort. En toen bekende Jan dat hij honger had!

Er stond in Midden Beemster een bank. En wij er op. Brood voor de dag. Niks er op. Ik dook in m'n vestzakje en diepte er een dubbeltje uit op. „Daar is een slager, haal maar wat,” zei ik joviaal.

Jan weg. Hij kwam terug met een homp leverworst. En nog twee koperen centen – over het paradijs gesproken! Wij pruimden het brood uit ons vuistje en luierden in het zonnetje. In het Heerenhuis aan de overkant waren een marechaussee en een heerachtig persoon aan het biljarten, het klotsen van het ivoor was een exotisch geluid in de stilte.

En ik aan het peinzen. Hier dus, op deze plaats, stonden eens Leeghwater en Prins Maurits en dronken de beker ad fundum... Zouden die marechaussee en die heerachtige persoon dat wel weten? Mijn blik zwierf ongemerkt wederom naar het stenen monument, er kwam een hiaat in mijn gedachten. Leeghwater, schrijnwerker gelijk uw dienaar, maakte zomaar meren droog, schreef boeken, terwijl ik er toch maar als Piet Snot bijzat...

We stapten op. Er was een vreemde onrust in mijn bloed geschoten: Leeghwater zat me dwars. Ik interviewde Jan gedurig, maar hij wist niet meer te vertellen, dan dat Leeghwater in de Rijp had gewoond. En of-ie de Haarlemmermeer had drooggemaakt, kon hij niet met zekerheid zeggen...

De weg terug was ik weinig spraakzaam. Schoon het een prachtweg was! Malsgroen gras, stabiel vee dat liep te plukkebekken of herkauwend lag te smoddermuilen. En af en toe klapperdekakkend zorgde voor mest. Heerlijk bezit, zo'n koe! Pieter Aerts heeft er een geschilderd en hij verdiende er de onsterfelijkheid mee!
Gelijk Leeghwater met het droogmaken van de Beemster...

*   *
*

Een schrijnwerker, die water tot land maakt. Daar wilde ik meer van weten. En haalde de dag daarop het „Haarlemmermeerboek” uit de bibliotheek. En toen het „Klein Kroniekje”. En ik begreep al ras, dat die hoge borst in Midden Beemster zo hoog niet was geweest – integendeel.

Maar dit terzijde.
En het zou nog zeker zeven jaar duren, aleer er door mij ernstige pogingen in het werk werden gesteld om Leeghwater te pellen uit de schillen der onwetendheid. Of dit gelukt is mag ik niet bevestigen: het was een pogen. En tevens een loutering. Er moest iets goed worden gemaakt, – hoewel ik gezondigd had in onwetendheid!

Maar of dit alles hiermee goedgemaakt is... ?
Vragen, vragen...

Jan Mens

Het is gelukt. Wie de historische roman „Waterland” van Jan Mens gelezen hebben, zijn het met ons eens. We hopen vooral voor u, reisgenoten, dat er spoedig een herdruk verschijnt van dit prachtige boek.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.