Archivering » De Speelwagen » 1946 » No. 1 » pagina 19-23
Eerder verschenen in 'De Speelwagen',
1e jaargang, 1946,
No. 1,
pagina 19-23.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
L'histoire, c'est à peu près voir les hommes d'autrefois.
Taine
Geen wondermiddel voor alle kwalen
De onderwijsvernieuwing heeft op talrijke scholen in ons gewest tot zulke uitstekende resultaten geleid,
dat zij zich in een zeer levendige belangstelling mag verheugen. Met bewonderenswaardige pioniersmoed
hebben vele onderwijskrachten nieuwe leerstofgebieden verkend, daarbij niet, of weinig geholpen door de
opleiding, die hun voor die stof ten deel was gevallen. Vaak ook zochten zij met het grootste succes naar
nieuwe vormen, waarin dan vaak een min of meer door de traditie geijkte leerstof op soms zeer originele
wijze werd aangeboden. Nu er echter talrijke scholen zijn, waar de leerlingen onder leiding van den
onderwijzer b.v. hun eigen „geschiedenisboek” schrijven, illustreren en inbinden, is de zaak
van de „panklare” leerstof der volledige handleidingen over een breed front heel wat zwakker
komen te staan. Als regel zal men nu zelf die stof zoeken, welke het meest geschikt is voor de school,
waar men werkt. Hand- en leerboeken in hun beknopte volledigheid leveren daarbij zelden veel op, de
tegenwoordige onderwijzers, opleiding, gebonden aan haar examenprogramma, al evenmin. Het is de bedoeling
van deze rubriek een kleine handreiking te geven en onderling contact tussen serieuze werkers tot stand
te brengen. Wanneer wij beginnen met enkele aspecten van onze gewestelijke historie, dan geschiedt dit
alleen, omdat het karakter van „De Speelwagen” daar a.h.w. om vraagt. Niet omdat hier het
panacee voor alle kwalen van ons geschiedenisonderwijs te vinden zou zijn, nog minder omdat de hier
gevonden stof minder weerbarstig is . . .! Als gij het niet reeds lang bij eigen pogen beseft hebt, dan
zult gij spoedig tot het inzicht komen, dat wij ook hier het stadium der heuristiek nog lang niet te
boven zijn.
Laat de historische figuren leven
Wij kunnen er op een plaats als deze niet aan denken, ons onderzoek door een „theoretische”
inleiding nauwgezetter te verantwoorden.
Toch ware zulks zeker niet overbodig, immers ons geschiedenisonderwijs, zal het levend zijn, wordt
dagelijks beïnvloed door de verhouding „mens en geschiedenis”, door een verhouding dus,
die wijsgerig benaderd moet worden. In elk geval moet ik, om van verre aan te duiden hoe gecompliceerd
moderne historici de problemen zien, een woord aanhalen van Prof. Romein: „een duidelijk historisch
beeld is onjuist, een juist historisch beeld is onduidelijk”. Deze ietwat paradoxale formulering,
die met heel wat voorbeelden te illustreren zou zijn, werpt een helder licht op de moeilijkheden,
waarmede een didactiek in de lagere school te kampen heeft, die den onderwijzer noopt zèlf beelden
te ontwerpen, die spreken, die voldoen aan de eisen van paedagogiek èn geschiedenis. Nu is een
der eerste didactische eisen, die wij aan historische beelden mogen stellen wel, dat zij in hoge mate
aanschouwelijk moeten zijn. Jongere theoretici (en geschiedschrijvers!) hebben dat wel betwist. Daarom
zal de didacticus, die zich enigszins tracht te oriënteren op het terrein der geschiedenisfilosofie
vaak zijn grootste bevrediging vinden bij de klassieke auteurs, de „oude meesters”, die nog
niet belast waren met de crisis-problemen van relativisme en perspectivisme. Juist hun zienswijze (door
onze moderne „wijsheid” wel als „naïef realisme” gequalificeerd) sluit zich
misschien wel het beste aan bij de geestelijke wereld van het kind. En hij, die voor zijn didactische
werkzaamheid in de school zoekt naar een theoretische basis (het „probleem der geschiedenis”
immers is „een probleem der levensbeschouwing”) zal een zekerder fundament vinden in
Michelet's prachtige „definitie”: „L'histoire est une
résurrection”1,
dan bij de moderne ondergravers van ons zekerheidsbegrip. Indien wij voor onze leerlingen enkele
gestalten uit een ver verleden werkelijk tot „wederopstanding” kunnen brengen, indien onze
lessen hun werkelijk een enkele maal naar de woorden van Taine boven dit artikel, de mensen van vroeger
voor ogen weet te toveren, dan hebben wij in elk geval voldaan aan een diepe menselijke behoefte.
Wààr kunnen wij die figuren tot groter aanschouwelijkheid brengen, dan door ze te laten
leven en handelen in de omgeving van het kind zelf? Wanneer ik de Houtman door de straten van Alkmaar
kan laten wandelen, geef ik aan een kind steviger houvast dan welk lesje of welke plaat ook kan doen!
Z(oacute; opgevat zou dit een belangrijke aanwijzing kunnen zijn, onze stof zoveel mogelijk uit de
omgeving bijeen te rapen. Maar in zo grote volstrektheid geformuleerd is dit beginsel zeker verwerpelijk.
Het gevaar zou dreigen, dat men de locale historie ging onderwijzen als een kunst om de kunst, men zou
dood lopen in een slop van zinloze feitjes en het gezicht op het geheel verliezen. Indien wij vruchtbaar
en verantwoord willen werken, moeten we zorgvuldig geselecteerde stof uit de „grote”
geschiedenis (waarvan wij immers toch al zo veel kunnen laten vallen) levend en aanschouwelijk maken
door de figuren ervan in de omgeving te plaatsen. Wij moeten heel voorzichtig proberen de „couleur
locale” aan te brengen... indien wij n.l. in staat zijn de daarvoor benodigde tinten op ons palet
te mengen.
Voor heden een enkel concreet voorbeeld.
Acht scherven en een pennestrijd
Dat men de volledige reeks van Dirken en Florissen op de lagere school (en elders) heeft afgeschaft,
is oud nieuws. Er is geen jaartallenboekje meer, dat Dirk I als „eerste graaf van Holland”
laat fungeren, alhoewel de legende van de „stichting” van Dordrecht door Dirk III toch nog
nooit volkomen uitgeroeid is. Het valt slechts toe te juichen, dat men met al die schimmige figuren
maar kortweg tabula rasa - een schone lei, gemaakt heeft, men kan ze immers toch met de grootste moeite
amper in z'n historische „kijker” krijgen. Zelfs al zou men de sentimentaliteiten over een
„reaalpoliticus” als Floris V erbij op de rommelzolder brengen, dan ware dat nog geen verlies,
mits men de vrij gekomen tijd voor een gezonder soort historische begrippen benutte. Maar in de omgeving
van oude plaatsen als Haarlem, Egmond, Alkmaar, etc. ligt de kwestie wel iets anders. In die omgeving,
waar men levend contact met Egmond heeft, zijn de wazige figuren van Gerulf, Dirk I, Dirk II wel van
een, zij het zwak, contourtje te voorzien. Gerulfis door de schenking van het jaar 889 voorzichtig vast
te haken aan b.v. Egmond op den Hoef; men kan dit zo nodig nalezen in: Gosses: De vorming van het
graafschap Holland, gemakkelijk toegankelijk in „Bijdragen voor Vaderl. Gesch.” V. 2 en er
tegelijkertijd allerlei aardige toponiemen (Heiloo, Scoorl, etc.) uit deze omgeving uit oppikken.
De St. Adalbertus-abdij te Egmond in de zestiende eeuw, volgens het schilderij van
Claes van der Heck. Op de voorgrond in de muur de kloosterpoort, daarnaast een verblijf voor vrouwen,
de portierswoning en een afdak, waar armen aalmoezen ontvangen. Het gebouwtje op de voorgrond links,
vóór de kapel, is vermoedelijk het hospitaal geweest. De grote poort voert naar het
eigenlijke klooster, dat door een gracht omgeven was; rechts van de poort was de eetzaal; de rechtervleugel
achter de kerk was de kapittelzaal, aan de linkerzijde de abtswoning. Op de achtergrond de abdijkerk
(met twee torens), waar de eerste Hollandse graven een rustplaats vonden; daarachter de dorpskerk.
Tussen de kerk en de eetzaal was de kruisgang en daarbij lagen vermoedelijk ook de cellen der monniken.
(De Boer en Hettema)
Een „klassiek” jaartal uit onze schoolboekjes is sedert onheugelijke tijden: 922. Vroeger
wist men precies wat daar achter moest staan, het was a.h.w. het geboortejaar van „het”
graafschap. Als zo dikwijls heeft voortgaand historisch onderzoek hier geleid tot een verrijking èn
tot een vervaging van onze kennis. Zoals de kwestie op 't ogenblik staat is er een controverse tussen
de geleerden uit de school der „spade” en de critische handschriftenvorsers. Een bevredigende
oplossing is er nog niet. Wie zijn verhaal doet zal moeten kiezen, in elk geval kan men zijn leerlingen
beter het brood der gave voorstelling geven, dan de stenen der critiek.
De meest gesloten voorstelling nu heeft de archeoloog Holwerda gegeven. In 1919 en vollediger in 1924
brachten zijn opgravingen op de Adalbertusakker de tufstenen funderingen van een vrij grote kerk te
voorschijn (25 bij 20 m). Deze opgravingen brachten heel wat pennen in beweging! Tot nu toe immers had
men de bekende schenkingsoorkonde van 15 Juni 922, waarin aan Dirk I o.m. „de kerk van Egmond”
wordt geschonken, zodanig opgevat, dat hier sprake moest zijn van de „abdij”. Maar enig
overblijfsel van die „oude” abdij had men nimmer aangetroffen. Hier volbracht de spade,
van den archeoloog de „résurrection”, de fundering van de oeroude kerk (thans weer
enigszins opgetrokken, zodat het beloop ervan goed te zien is) was voor ons oog herrezen. Meer nog.
Holwerda kon bewijzen, dat de kerk versterkt geweest is, sporen van een ringmuur werden gevonden,
de kerk moest een rol gespeeld hebben in de kustverdediging tegen de Noormannen, men had dus te doen met
een, ook van elders bekend, kerkfort, begeerlijk bezit voor een graaf! De schenkingsoorkonde
van 922 kreeg een veel tastbaarder inhoud. Last but not least won ook de vage gestalte van den
evangelie-prediker St. Adalbertus enigszins aan vastheid. Hier was zijn arbeidsveld geweest, hier had
hij een laatste rustplaats gevonden.2
Deze oeroude kerk kan prachtig dienen een heel brok geschiedenis uit de achtste, negende en tiende eeuw
van locale kleur te voorzien. De kerstening dezer gebieden, de invallen van de Noormannen, de eerste
graven, men kan ze er allen aan „vasthaken”. Is er iets tegen het verhalen van een overoude
legende uit de Vita S. Adalberti: „Telkens als de Noormannen uit zee naderden om te plunderen
ging het dicht bij de kust gelegen kerkgebouw schuil achter een dikke zeedamp”.
Had men nu van elk historisch feit slechts één voorstelling, dan zou de geschiedenis een
gemakkelijk en saai vak zijn.
De critici vroegen: waaraan ontleent Holwerda het recht deze weliswaar oude en ruïneuze kerk in
een zo grijs verleden te plaatsen? De datering van dergelijke oudheden moet men meestal op de z.g.
„bijvondsten” funderen. Voor deze kerk zijn dit... acht Karolingische scherven.
Handschriftenvorsers als Oppermann en Tenhaeff kennen daaraan niet die grote bewijskracht toe! Vooral
Prof. Oppermann heeft de overlevering van het oude Egmond in twijfel getrokken. Volgens hem is zij later
om „politieke” en „propagandistische” oogmerken
gefabriekt3.
K.
1 De geschiedenis is een opstanding uit de dood.
2 Tekeningen en foto's vindt men in de Oudheidk. Mededelingen V.
3 Een en ander leidde tot een scherpe strijd tussen Holwerda en wat hij de „schriftgeleerden”
noemde. De betogen dezer laatsten zijn zeér „subtiel” en door technisch niet
geschoolde lezers niet te volgen; ze berusten dikwijls op een basis, die niet zo heel veel breder is
als het achttal Karolingische scherven van Holwerda!