Archivering » Boeken » Hé, is dat Westfries? » Pagina 82-83
Woorden en uitdrukkingen: 526-543
526. Doe dat kunstje met de kaart nog eens.
Ik ken 't gien meer (niet meer) en daarom doe ik 't gien meer (niet
meer).
527. Hij leeft gemakkelijk. Hij heeft nergens gien last van en hij heeft nooit
gien haast. Hij heeft dan ook nooit gien kans op 'n goeie betrekking.
('t Woordje 'geen' hoort niet in de zin).
528. Wie zit er in de derde bank? Daar zit er genién (geen of niemand).
529. Hij drinkt wel 's 'n borreltje te veel, maar hij is evengoed 'n beste vent (toch,
desondanks).
Ik verbood 't hem, maar hij deed 't evengoed (toch).
Opm. 1: 'Evengoed' is wel Ned., maar betekent dan 'evenzeer', 'in gelijke mate', bv. Ik ben evengoed
teleurgesteld als jij.
Opm. 2: 'Even' en 'goed', los van elkaar geschreven zulllen wel geen moeilijkheid opleveren. Ze vormen
dan 'n gewone stellende trap van vergelijking, bv.: Vader is even goed als moeder.
530. Wat woont die familie hier iénlik (eenzaam, afgelegen). Hun dochtertje is
dan ook erg iénkind (eenkennig).
531. Is je man meegekomen? Nee, ik ben alliendig (alleen). Hij komt alliendig
(alleen maar, slechts) als ie wat aan je verdienen kan.
532. Hij was voor mij 'n botvreemde of: gulvreemde ('n geheel en al
vreemde).
533. Klaas wou met alle verdol (met alle geweld, zonder zich te laten weerhouden) naar
de markt!
534. Tante kwam 'n dagje bij moeder; de hele dag zaten die twee peut-an (knusjes,
genoeglijk) te breien en te praten.
535. Hij las overstil of: overzácht of: overzáchies
(onhoorbaar).
Opm.: Als de klemtoon op de eerste lettergreep gelegd wordt zijn de woorden 'óverstil' en
'óverzacht' algemeen Ned. bv.:
Het was in de huiskamer óverstil (al te stil, zeer stil). Hij sprak óverzacht (al te
zacht, zeer zacht).
536. De trap is steil, doe maar lenigies-án (niet te haastig, voorzichtig,
kalm-aan).
Zo lenig-an worden we allemaal ouder (langzaam-aan).
537. Buurman en buurvrouw gaan baiegaar naar de zangrepetitie (beiden, allebei).
538. Ik heb m'n tuin gespit; ik ben er hessig van (warm, bezweet).
Als 't wat druk met 't werk is, dan is vader zo hessig (jachtig, hitsig, vurig, druk
doend).
Vgl. boizen.
539. Ik ben moe. De hele dag heb ik door de stad moeten flenteren (lopen) om rekeningen
te innen.
540. Jij geloofde me wel, maar hulle of: hullie of: zullie
(zij) geloofden me niet.
541. Moeder kan fijn steuren (koken, kokkerellen). Vorige week heb ik me bijna
vereisd (te veel gegeten, omdat 't zo lekker was).
Als ze weet dat je komt, bewaart ze meestal 'n steurtje vis of vlees voor je (restje,
kookseltje). Ze weet wel, dat ze geen witlof voor me moet neerzetten. Daar kan ik wel van
koken of: kouken (walgen, kokhalzen). Daar begin ik van te koren
of: te vrouken (walgen).
542. Het wederkerend voornaamwoord zich gebruikt de Westfries nooit in de spreektaal.
Hij wast 'm (zich) elke ochtend.
Hij verbeeldt 'm of: z'n oigen heel wat (zich).
Hij schrok z'n oigen 'n hoedje (zich).
543. Hoeke (wat voor) schoenen heb je gekocht? Heb je 'n nieuwe wintermantel?
Hoentje (hoe ene, wat voor een)? 't Is vrijwel zontje (zo ene, eenzelfde)
als buurvrouw Jaantje heeft.