Archivering »
Boeken »
Hé, is dat Westfries? »
Pagina 35-36
Woorden en uitdrukkingen: 176-187
176. Die auto gaat nog wel 'n tijdje mee. Die moet je niet wegskoiten (ver beneden
de waarde van de hand doen).
177. Z'n grootvader was poepezak (rondreizend manufacturier, handelaar in textiel). De
zak, waarin hij z'n waren van huis tot huis bracht, heette ook poepezak en z'n winkel
poepewinkel.
178. Hij wil 'n poot hewwe in die onderneming (medezeggenschap, deel hebben in, 'n vinger
in de pap hebben).
179. Zullen we skil-deur doen? (Zullen we 't verschil tussen vraagprijs en biedprijs maar
door midden delen en dat als koopprijs stellen?
Bv.: iemand vraagt voor 'n koe ƒ 1000,-. De ander biedt ƒ 900,-.
't Verschil is dan ƒ 100,-. Skil-déur wordt nu ƒ 950,-).
180. Jaap Buis heeft in de loop van de tijd veel mensen vortholpen (heeft in 't Wfr. de
uitsluitende betekenis van 'n crediet geven ten behoeve van iemand die 'n bedrijf koopt of
uitbreidt en die niet voldoende geld via hypotheek' of banken kan aantrekken).
181. De ouderen onder de Wfr. zijn nog bekend met onderstaande benamingen voor zekere geldbedragen:
'n voorwiel
'n achterwiel
'n riks
'n plak
'n stoter
'n skelling (schelling)
'n daalder
'n pond
'n raaier (rijder)
'n geeltje
'n roodreggie (roodrugje)
= 'n harde gulden
= 'n harde rijksdaalder
= 'n rijksdaalder
= 2½ cent
= 12½ cent
= 30 cent
= ƒ 1,50
= ƒ 6,-
= ƒ 14,-
= ƒ 25,-
= ƒ 1000,-
182. Oom Gerrit kocht voor z'n zoon 'n aardig
spultje ('n klein veehouders-, landbouw- of tuindersbedrijfje).
183. In dat boerenhuis kunnen twintig koeien op de
lange regel staan (de langste zijde van de stal). En dan kunnen er nog acht in
't achteròm ('n stuk stal aan de achterzijde van 't huis; dit dwarsstuk staat rechthoekig op de zgn.
lange regel). In de zomermaanden woont die boer op 'n
staltje. (Hij legt over 'n gedeelte van de stal 'n losse houten vloer en richt dat gedeelte in als woonkamer).
Op
dat stal staan twee zware koeien (stalgedeelte voor twee koeien).
Opm.: De Westfries gebruikt voor 't Ned. woord 'stal', als gezamenlijk onderdak voor z'n koeien, meestal
het koejes of: de
koegang. Vgl. nr. 874.
184. Als ik 's maandags naar de Alkmaarse markt ga, begin ik 's morgens om vier uur al te
voeren (het vee voe(de)ren, melken en verzorgen, alzo 'n ruimer begrip dan in 't Ned.).
185. Vader is al vroeg naar
de bouw gegaan (naar z'n bouwland, naar z'n akker).
Waar is je broer? Die is
't lánd in of:
't lánd uit (die is gaan werken op z'n grasland). (De klemtoon valt op land).
186. Wat heb je verdiend met
't eéreppel-roden (rooien van aardappelen)?
Opm.: De Westfries gebruikt altijd roden inplaats van rooien: bieten
roden, bomen
roden, enz.
Zolder
roden is in de schoonmaaktijd de zolder van 'n boerderij en wat er op staat, droog schoonmaken, dus vegen, ragen, afstoffen.
Je moet niet meer
roden (roeren) in die familie-ruzie, laat maar rusten.
187. Kees, haal jij de koeien in 't
melkbon (de melkplaats, meestal achter 't huis) en
zet (bind) ze
vast.
Die koe met die
dunne melk (schrale melk, van laag vetgehalte) moet verkocht worden.
Die zwartbont bracht twee kalven, 'n
bul (stier) en 'n
kui (vrouwelijk kalf).