Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » Boeken » Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout » Pagina 170-173

Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout

Bijzondere dingen in het dagelijks leven (1/6)

Hoofdstuk VII

De kennis van het dagelijks leven in vroeger tijden is in het algemeen zeer beperkt en dat geldt natuurlijk in nog sterker mate voor een wat kleinere plaats als Schellinkhout. Over de gewone dagelijkse gang van zaken in het dorp werd niets opgetekend. Pas als er iets bijzonders aan de hand was, bestond de kans dat het op schrift werd gesteld en zo voor het nageslacht werd bewaard. Dit hoofdstuk bevat dan ook een aantal momenten uit het dagelijks leven, die toch weer zo bijzonder waren dat er op de één of andere manier wat van bewaard is gebleven.

De kermis
Zo'n bijzondere gebeurtenis was en is nog de kermis. De kermis is ontstaan uit de jaarmarkt, die door Hertog Albrecht van Beijeren bij de stadrechtverlening aan Schellinkhout in 1402 werd toegestaan. Hij bepaalde toen immers dat er in Schellinkhout op iedere donderdag een weekmarkt zou zijn en een vrije jaarmarkt, die zou beginnen acht dagen voor Sint Odulphusdag (4 juni) en acht dagen daarna zou eindigen. Nog steeds vindt de kermis begin juni plaats!
In 1734 werd echter in de vroedschap het idee geopperd om de kermis maar af te schaffen. Zij diende slechts tot schade en nadeel van de meeste burgers en de schout liet zelfs toe - in strijd met de plaatselijke keuren - dat er werd koek gekapt; een blijkbaar minder onschuldig vermaak dan het ons bekende koekhappen. Het zou niet zo moeilijk zijn om de kermis weg te krijgen. Er moest alleen toestemming van de vroedschap worden verkregen en er moest een verzoek bij de Staten van Holland worden ingediend. Na bespreking werd toch besloten gewoon met 'de kermis ofte jaarmarkt' door te gaan.
Inderdaad werd in 1662 een bepaling in het keurboek opgenomen, die koek houwen, snijden of kappen verbood. Ook mocht er niemand op de jaarmarkt staan met draai- of dobbelspul, of riemsteken of enig ander toverspul. Op de zaterdagavond voor het begin der jaarmarkt moesten de kramers om 6 uur al aanwezig zijn om voor een plaats te loten. Op zondag moesten de kramen tussen 9 uur 's morgens en 3 uur 's middags gesloten zijn, aldus een ander artikel uit het keurboek. Dat aan de zondagsrust veel belang werd gehecht, bleek uit enkele bepalingen uit datzelfde artikel. Op zondag mocht er geen bier, wijn of andere sterke drank worden geschonken in herbergen of taveernen. Verder mocht er ook geen handwerk worden gedaan, met uitzondering van noodzakelijke werkzaamheden, zoals het koeien melken, het kazen en het gewone huishoudelijke werk. Ook mocht men niet bal slaan (kaatsen) en klootschieten.

De kermis was niet de enige festiviteit in het jaar. In het verleden vonden ook te Schellinkhout voor de vasten vermoedelijk traditionele feesten plaats. Een artikel uit het keurboek wees in ieder geval in die richting. In deze uit 1623 daterende keur werd bepaald dat het verboden was om op vastenavond lijnen of touwen te spannen om daar zwanen aan te hangen of enig ander door God geschapen kreatuur. Blijkbaar was dat vóór 1623 wel gebruikelijk en vermoedelijk had het te maken met de één of andere vorm van volksvermaak, te vergelijken met het kat knuppelen en paling trekken. Bij overtreding werd een boete van zes pond opgelegd, de ene helft voor de schout en de andere helft voor de armen. Het ring- of speersteken was een spelvorm, waar het dorpsbestuur ook tegen was. In 1648 werd verboden om dit spel bij de herberg te organiseren. De organisator zou worden bestraft met een boete van 17 pond, de deelnemers met 6 pond en de waard zou 6 weken neringloos zijn.

Bedelaars en vagebonden
Ongetwijfeld zorgde de komst van de kermislui voor een welkome afwisseling in het dorpsleven. Minder gesteld was men echter op de aanwezigheid van bedelaars en soortgelijke lieden, die in het verleden in grote getale door het gehele land zwierven. Het behoorde tot de taak van de dorpsbode of dorpsdiender om toezicht te houden op bedelaars, vagebonden en ander slecht volk.
Het keurboek vermeldde in een uit 1702 daterende bepaling dat er dagelijks bedelaars en bedelaressen naar het dorp kwamen. Niet alleen namen zij toen nog in aantal toe, maar ook de brutaliteit, waarmee de dorpsbewoners werden aangesproken, werd steeds groter. Onder hen was ook een aantal landlopers en vagebonden, dat zelfs met bedreiging de mensen van hun bezit trachtte te beroven. Daarom werd bepaald dat er voortaan alleen nog maar op maandag mocht worden gebedeld. Bij een eerste overtreding zou men worden veroordeeld tot 8 dagen water en brood, bij een tweede maal werd het 14 dagen water en brood en bij een derde overtreding 3 weken en verbanning uit het dorp, welk vonnis in het openbaar zou worden uitgesproken. Men mocht slechts nederig om een aalmoes vragen. Deed men meer, dan volgde er lijfstraf.
Regelmatig werden verbanningen uitgesproken over dit soort mensen, die vaak in groepen rondtrokken. Op 21 maart 1635 bijv. werd een aantal mannen en vrouwen voor zes jaar het recht van toegang tot de stede Schellinkhout ontzegd. Het betrof hier de Engelsman James Pryst, Marij Jans uit de Eider, Pouwels Jansz. uit Emden, Niels Pietersz. en Christian Louwersz. uit Tonningen (Noord-Duitsland), Barent Jorisz. van Amsterdam en Jan Pietersz. van Leiden. Als zij binnen de genoemde zes jaar wel in Schellinkhout werden gezien zou een nog zwaardere straf volgen.
Uit de jaren daarna zijn nog vele van dit soort verbanningen bekend. Opvallend daarbij was dat het altijd ging om mensen van buiten West-Friesland; vaak Engelsen, Schotten, Ieren, Noren en Duitsers. Door onderzoek is wel komen vast te staan dat er in het verleden vaak met twee of soms zelfs met nog meer maten werd gemeten. Van buiten komende wetsovertreders werden meestal zwaarder gestraft dan ingezetenen.

De rechtspraak
In het algemeen verliep de rechtspraak in het verleden wat anders dan nu. Zo waren bepaalde martelingen om een gevangene tot een bekentenis te dwingen bepaald niet ongewoon. Ook in Schellinkhout kwamen dit soort praktijken voor. Zo vroeg Pieter Sijms, de schout van Schellinkhout, op 31 augustus 1635 toestemming aan de schepenen om ten behoeve van het verhoor van de gevangene Cornelis Roelingsz. de scherprechter te mogen ontbieden. Dit verzoek om de gevangene aan een scherper examen te mogen onderwerpen, werd toegestaan. Dit 'examen' kon op verschillende wijzen plaats vinden: met de duimschroeven, met scheenijzers of met gewichten om de ledematen op te rekken. In Holland werd ook geseling wel gebruikt om een bekentenis los te krijgen. De Franse tijd bracht in dit opzicht ongetwijfeld verbetering. Op 19 maart 1795 ontving het dorpsbestuur een plakkaat, dat gebood om de oude, barbaarse overblijfselen van galgen, raden en geselpalen op velerlei plaatsen langs de openbare weg te verwijderen. Of Schellinkhout een dergelijke plaats had is wel waarschijnlijk, maar waar die plaats dan is geweest is niet bekend. Mogelijk was het Galgeveld op de Wijmers de plaats die door Schellinkhout en Wijdenes gezamenlijk werd gebruikt.
Zoals reeds eerder werd vermeld, vond de rechtspraak in het dorp zelf door schout en schepenen plaats. Dorpsbewoners mochten ook alleen voor het gerecht van hun eigen dorp worden gedaagd. Het is dan ook begrijpelijk dat rechtszaken het dorp dagenlang in de ban konden houden. Een zaak, die het dorp in 1804 en 1805 niet dagen-, maar maandenlang bezig hield, was die van Trijntje Douwes. Hoewel deze zaak uit historisch oogpunt bezien misschien niet zoveel nieuws oplevert, is de zaak zo uniek dat ik er toch uitvoerig op wil ingaan.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.