Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » Boeken » Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout » Pagina 124-128

Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout

Zeevaart en visserij (1/7)

Hoofdstuk V

Inleiding
Tegenwoordig is nauwelijks meer te merken dat de zeevaart en de visserij eens voor de Schellinkhouters een belangrijk middel van bestaan waren. Zodra men echter bijvoorbeeld de oude kerkeboeken openslaat, blijkt telkens weer hoeveel mensen er op het water een bestaan vonden. Doop-, trouw- en lidmatenboeken bevatten vele namen, die op een relatie met de zee duiden:
Kompas, Commandeur, Admiraal, Voor de Wind, Kaagman, Schipper, Capitijn, Botter, Bestevaar. Vaak ook werd voor de naam het woord Schipper vermeld: Schipper Wigger Tasman of Schipper Dirk Sijbrantsz. Meester. In de lidmatenregisters treft men voorts vele vermeldingen aan van in het buitenland overleden Schellinkhouters: in Riga, Koningsbergen, Stockholm, Groenland, in de Oostzee, in de Sont, Kopenhagen. Soms werden de stoffelijke overschotten mee naar Schellinkhout genomen, zoals dat van Gerrit Meeuwsz., die op 13 juli 1704 in Groenland stierf en op 11 september te Schellinkhout werd begraven. Ook Sijmon Pietersz. overleed op een Groenlandse reis en wel in 1744 en werd eveneens in Schellinkhout begraven. Anderen zullen een zeemansgraf in de golven hebben gevonden of werden ver van huis begraven. Zo bevindt zich in de goed onderhouden kloostergang om de Domkerk in Riga een grafsteen met als tekst: Hier Leijt Begraven Jan Pietersz. Tasman van Schellinkhout. Is in den Heere gerust den 2 Novemher Anno 1679.

Zeevaart en visserij in de 14e en 15e eeuw
Het staat wel vast dat de zeevaart voor ons gebied en dus ook voor Schellinkhout reeds vroeg van belang was. Al in de 14e eeuw vinden we bewijzen dat Westfriezen handel dreven in Duitsland en Engeland. Wat het laatste land betrof ging het vooral om Hoornse schippers. In het begin van de 15e eeuw of misschien ook eerder voer men naar Frankrijk en naar de Oostzee. Dat ook Schellinkhout daarmee te maken had, bleek o.a. uit hun belofte in 1438 om tezamen met een aantal andere Westfriese plaatsen schepen voor de oorlog tegen de Wendische steden te leveren. Ongetwijfeld heeft Philips van Bourgondië daarbij een beroep gedaan op die plaatsen, die daar ook economisch belang bij hadden. De oorlogshandelingen werden in 1444 gestaakt, waarbij te Kampen een overeenkomst werd gesloten. Bij de aldaar overeengekomen schadeloosstelling was Bremen niet betrokken en deze stad verklaarde Holland, Zeeland en Friesland in 1445 de oorlog. In 1446 volgde een vrede, waarbij ook Schellinkhout een aandeel in de schadeloosstelling moest betalen. Op 28 juli van dat jaar kwam de bode Jacob van Barry o.a. naar Schellinkhout om de regenten te verzoeken naar Haarlem te komen, waar zij voor dat aandeel hun handtekening moesten zetten.
Nog een ander bewijs van Schellinkhout's betrokkenheid bij zeevaart en oorlogshandelingen was de toestemming van Philips van Bourgondië aan Claas Gerritsz. van Hoorn in 1432 verleend om met zijn gezellen de goederen te verkopen, die zij naar Schellinkhout hadden gebracht. Deze goederen, die van het uit Noorwegen komende schip van Dirk Helmer uit Amsterdam afkomstig waren, zouden voor de vijanden van Philips bestemd zijn geweest. Van de opbrengst der verkoop zou de hertog 1/3 deel en Claas met zijn gezellen 2/3 deel ontvangen. Mocht blijken dat de goederen toch tot vrunden behoorden, dan beloofde Claas Gerritsz. de gelden terug te geven. Gezien het feit dat de goederen naar Schellinkhout werden gebracht, ligt het voor de hand een relatie te veronderstellen tussen deze plaats en in ieder geval een aantal der met name in de verklaring genoemde schepelingen.
Zowel bij de Enqueste als de Informacie werd door de Schellinkhouter dorpsbestuurders gewezen op het belang van visserij en zeevaart. In 1494 hield de helft van de werkende bevolking zich bezig met de visserij, maar hieronder rekende men ook de zeevaart. Twintig jaar later werd verklaard dat de meeste mensen hun brood verdienden door op het water te varen, zowel naar het oosten als naar het westen, en met de haringvangst. Vaak werd gezegd dat men ging om een huyre te winnen, dat wil zeggen dat men zich als bootsgezel, bootsman, stuurman e.d. voor een reis verhuurde.
De economische teruggang eind 1400, die in het vorige hoofdstuk voor de agrarische sector werd geconstateerd, gold ook voor de zeevaart. De koopvaardijvloot van vele Westfriese steden was in 1494 nog maar een klein deel van die van 1477, vooral als gevolg van de onzekere situatie op de Noord- en de Zuiderzee.

De zeevaart wordt steeds belangrijker
In de loop der 16e eeuw echter nam het belang van zeevaart en visserij voor West-Friesland steeds meer toe, welke ontwikkeling zich in het eerste deel van de 17e eeuw nog voortzette. Omstreeks 1625 zal tussen de 25 en 35% van de beroepsbevolking in ons gebied haar brood met de zeevaart en visserij hebben verdiend. Vanuit Noord-Holland voeren indertijd ca 300 haringbuizen uit, die ± 3500 mensen aan boord hadden. Voor de in deze periode sterk groeiende bevolking van West-Friesland waren andere bestaansmiddelen dan de landbouw ook dringend nodig, want het boerenbedrijf kon hen allen geen werk verschaffen.
Of Schellinkhouters in het begin van de 16e eeuw al zelf als schippers voeren valt te betwijfelen. In de Sonttolregisters, die over een zeer lange periode de herkomst der schippers vermeldden die de Sont passeerden, werd Schellinkhout van 1497 t/m 1589 nog niet genoemd. In 1590 passeerden 4 Schellinkhouter schippers de Sont, waarbij men wel moet bedenken dat het hier waarschijnlijk tweemaal een heen- en tweemaal een terugreis betrof. Vanaf 1590 werd Schellinkhout regelmatig vermeld, wat blijkt uit het volgende overzicht:

1590  4
1591  3
1592  -
1593  4
1594 16
1595 16
1596 15
1597  8
1598 12
1599  8
1600 12
1601  8
1602 18
1603  9
1604  8
1605  9
1606  8
1607  6
1608  5
1609  2
1610 18

Ook in andere bronnen vond ik geen Schellinkhouter schippers en schepen vóór 1560. De eerste door mij gevonden vermelding van een schip uit Schellinkhout dateerde uit 1562. Toen verschenen voor de secretaris van Schellinkhout ten huize van Meynert Elbertsz., de waard, Jan Pietersz., Jacob Gerritsz. en Dirk Wijbrantsz., allen van Schellinkhout, resp. stuurman, hoogbootsman en bootsknecht op 'de Hazewind' van Schellinkhout. Zij legden een verklaring af ten behoeve van Gerasius van Antwerpen, schipper op 'de Hazewind'. In de haven van Antwerpen bleken er volgens de koopman Pieter Coster op het schip zes pijpen (vaten) kaneelsuiker te ontbreken. De schipper, de hoogbootsman en de koopman waren gaan zoeken, maar hadden alleen tussen de fokkemast en de grote mast aan bakboord een lege pijp gevonden. Zij wisten niet beter of die was er door de storm en het onweer, dat zij onderweg hadden gehad, terecht gekomen.

Uit de hierna volgende periode is veel materiaal over de relatie van Schellinkhout met de zeevaart voorhanden. Deze periode duurde zeker tot omstreeks 1725. In allerlei archieven zijn hiervan voorbeelden te vinden. In het begin van dit hoofdstuk zijn de kerkeboeken al genoemd. Zo werd op 4 november 1703 het Avondmaal gehouden met een zeer klein aantal lidmaten, omdat velen nog op zee vertoefden. Uit de schepentrouwboeken is de fam. Smit bekend, die bij de behandeling van de doopsgezinde gemeente van Schellinkhout al ter sprake kwam. Vader Pieter was schipper, zoon Claas commandeur en zoon Jan grootschipper. Ook in testamenten en huwelijkse voorwaarden speelde de zeevaart soms een rol. Zo vermaakte Pieter Maartensz. alias Derdeman in zijn op 31 maart 1679 opgestelde testament al zijn zeevarend plunje en zijn zeekist aan zijn neef Pieter Cornelisz. Schoon. In de op 25 oktober 1681 gesloten huwelijkse voorwaarden tussen Pieter Jansz. Krimpen en Aagt Gerbrants werd opgenomen dat Pieter zijn zeekist, bultzak, combeers, kussen, het varende plunje, boek, kaart, boog en schrijfboeken aan zijn broer Jacob zou nalaten.
De betekenis van de zeevaart daalde in de loop van de 18e eeuw zeer snel. Deze daling was mogelijk al omstreeks 1700 begonnen. In 1750 was de zeevaart als middel van bestaan voor de Westfriese bevolking waarschijnlijk al van ondergeschikt belang. Na die tijd was er ook nog maar een enkele maal sprake van Schellinkhouter schippers. Na 1800 waren zij geheel van het dorpstoneel verdwenen.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.