Archivering » Boeken » Dokter in West-Friesland » Pagina 126-127
David in Oostwoud: de strijd van 'de grote Kees' 1)
Zoals velen nog bekend zal zijn, behoorde het Oostwouder en Hauwerder land tot het laagst gelegene
in West-Friesland. Een groot gedeelte van het jaar moest men er op daartoe uitgelegde planken lopen,
wilde men z'n land van voor tot achter eens bekijken, of het landpad gaan, dat de kortste weg van
Midwoud naar Hauwert was. Dat was de boeren daar tot grote schade en daarom zo te betreuren, omdat
dat land, als het droog lag, tot het vruchtbaarste gedeelte van heel de omgeving gerekend kon worden.
Een van de eigenaars, Cornelis Haringbuizen Evertszoon, gewoonlijk Evertes Kees genoemd, kon dat niet
langer aanzien en dit deed hem plannen beramen, om door bemaling z'n land boven water te houden. Hij
plaatste daartoe op een gedeelte van zijn land 'Schopuit' genaamd, de eerste watermolen en gaf die de
naam van 'David', als een symbool, dat de kleine watermolen de grote vijand, de altijd dreigende
watervloed, zou weten te verslaan.
Men zou zo veronderstellen, dat al de boeren in Oostwoud met de
grootste belangstelling dat ondernemen zouden volgen en hem als een man met ondernemingsdurf zouden
hoogachten en waarderen. Edoch, het tegendeel was waar. Men zag het met nijdige ogen aan en men werd
hem algemeen venijnig vijandig gezind, wat zover ging, dat men hem met moord en doodslag dreigde en
een aanklacht tegen hem bij de gouverneur indiende. Hij stoorde zich echter aan niets, ging door met
dijkjes om zijn land te leggen, en zijn molentje draaide, als 't windje maar waaide en, voor geen
kleintje vervaard, stelde hij bedreiging tegen bedreiging, in welke vorm hij zelfs de gouverneur
waarschuwde, toen deze hem vertelde, dat zijn molentje aan een ketting met slot zou worden vastgelegd,
aangezien niemand er van gediend en 't een ieder tot ergernis was. Daaraan werd echter gelukkig geen
gevolg gegeven, wat maakte, dat de boeren in de gelegenheid waren om te zien, wat gunstige gevolgen
een dergelijke bemaling voor het land had. Hij haalde van 'Schopuit' twee- en driemaal zoveel als
anderen van landen van gelijke grootte, z'n veestapel mocht je zien en iedereen zou moeten bekennen,
dat er geen kostelijker veebeslag in heel N.-Holland was en toen er land, dat vroeger voor
ƒ 4000,- gekocht was, dank zij de bemaling ƒ 8400,- opbracht, toen gingen de
bedillers de ogen open. In stee van laken kwam prijzen en het duurde betrekkelijk maar kort, of elke
week zag men een molen verrijzen.
Gelukkig heeft hij de waardering van zijn ondernemingsdurf beleefd, al hadden wij hem die gaarne wat
langer gegund, daar hij reeds in 1863 op 66-jarige leeftijd overleed.
Men heeft aan zijn stoffelijk overschot die eer bewezen waarop verdienstelijke mensen recht hebben,
al zou het alleen zijn, om hunne nagedachtenis in een dankbare herinnering te doen voortleven.
Toen de begraafplaats, waar men hem ruste had willen bereiden, aan haar bestemming onttrokken werd en
de daarop nog geplaatste zerken zouden worden verwijderd, hebben zijn vrienden in 't holst van de nacht
zijn stoffelijk overschot op het nieuwe kerkhof, dat in 1868 in gebruik genomen was, een goede plaats
verzekerd, en onder altijd groenend lommer vermeldt een steen onder een daarop gebeeldhouwde watermolen
de 7e mei 1863 als de sterfdag van de onsterfelijk geworden Cornelis Haringhuizen Evertszoon van
Oostwoud, nu hij daar als 'de grote Kees' in de herinnering blijft voortleven.
1) West-Frieslands Oud en Nieuw IV, blz.79 vlg.
