Archivering » Boeken » Dokter in West-Friesland » Pagina 21-22
Levensloop (1/5)
Over het gezin, waarin Gerard Cornelis van Balen Blanken opgroeide, is geen overmaat van
gegevens beschikbaar. Hij werd op 8 september 1852 te Benningbroek geboren als zoon van de
gelijknamige vader, die er, zoals wij al gezien hebben, als arts praktizeerde, en van Yda
Lanser. Zij was de dochter van Joost Lanser, een uit Sliedrecht afkomstige aannemer en
Maartje Blaauboer, geboren te Zijpe, waar ook Yda geboren was. Ook van moeders kant
blijkt de zoon dus niet van zuiver Westfriese afkomst te zijn.
Gerard Cornelis, de jonge, groeide op in een ouderwets grote familie: ze bestond uit niet
minder dan negen kinderen en het gezin had nog groter kunnen zijn als er niet twee heel
jong overleden waren. Het lijkt niet gewaagd het sociale besef, het gemak van omgang met
mensen, het gevoel van verantwoordelijkheid die later zo opvallend zijn bij de arts van
Spanbroek, met de huiselijke omstandigheden van zijn jeugd in verband te brengen. Zelfs
voor een plattelandsdokter met een goede praktijk zal de verzorging en opvoeding van
zoveel zoons en dochters geen eenvoudige zaak zijn geweest. Gerard Cornelis, de oudste
zoon, die de lagere school in zijn geboorteplaats en later een kostschool in Medemblik
bezocht, deed op zeventienjarige leeftijd mee aan een vergelijkend examen dat aan
geslaagde jongelui het recht gaf deel te nemen aan de studie ter opleiding tot officier
van gezondheid, waaraan een financiële toelage verbonden was. We mogen, geloof ik,
aannemen dat dit laatste voor het kiezen van deze wijze van studeren van meer betekenis is
geweest dan de neiging marine-officier te worden. Even schijnt hij inderdaad van plan te
zijn geweest naar de Oost te gaan, maar wanneer hij zich uit de dienst heeft weten te
kopen, kiest hij voorlopig het al drie jaar vacerende Spanbroek, waar men, om
sollicitanten te trekken, het salaris van gemeente-arts juist heeft verhoogd. Hij zal er
niet minder dan zesenveertig jaar blijven wonen…
'Niet naar het land van de nikkers, naar dat van de kikkers', zong men hem later toe en de
keus beviel in het eerst zeker wel. Want altijd, ook in het zo geliefde Amsterdam, was hij
zich buitenman blijven voelen. 'Goddank dat ik weer adem schep / En uit die stiklucht ben
ontslagen', lezen we gekrabbeld op een blaadje, vermoedelijk van kort na zijn studententijd.

Het witte huisje te Benningbroek
Een foto van de woning te Benningbroek, waarin hij zijn jongens-jaren doorbracht, toont
schuin van opzij gezien de witte zijgevel van een flink doktershuis van onmiskenbare intimiteit.
Dit laatste staat in vreemde tegenstelling tot een andere indruk, n.l. van koele landelijke
deftigheid: een weinig persoonlijk bouwsel met te regelmatig er omheen staande bomen. Alleen het
silhouet van het dokterswagentje op hoge magere wielen, op het tuinpad ernaast, geeft het even
een eigen accent.
Hoe was de verhouding van Gerard tot de medebewoners van dit huis? Uit zijn studententijd dateert
een de tegenwoordige lezer wat stijf aandoend vaderlijk briefje, keurig geschreven in dik en dun,
waarin aangedrongen wordt op zuinigheid bij de aanschaffing van boeken. Verder niets van
belang. 1)
1) Leek de jongen op zijn vader? In één opzicht week de laatste stellig van de zoon,
die heel muzikaal was, af: een goed pedagoog als Jakob Kwast (zie ook blz. 66.) slaagde er niet
in hem op de piano iets te leren. Hij kon daarover op grappige wijze vertellen. In gevoel voor
humor kwamen vader en zoon blijkbaar overeen. Zie Jan Kuilman: Willem Saal en de Wognummers,
Purmerend z.j.; blz. 18 en 19.
Misschien had de vader enige letterkundige neigingen, wat men zou kunnen afleiden uit een door
hem op een Nutsavond voorgedragen zelfgemaakt gedicht. Maar gezien de traditionele rijmlust onder
de West-Friezen zegt dit toch niet zoveel.