Archivering » Ach Lieve Tijd » Deel 15: Westfriezen en hun culturele leven » pagina 359
Rederijkerij is een vernederlandsing van het woord ‘retorica’, de leer der welsprekendheid
die onder andere voorschriften bevat voor houding en gebarentaal tijdens het uitspreken van redevoeringen,
waarvan ook toneelspelers in de loop der tijd dankbaar gebruik gemaakt hebben. Omstreeks 1855, toen
Nederland zo'n 900 rederijkerskamers telde, stond de uiting van gevoel in hoog aanzien. Geëmotioneerd
uitgesproken gedichten en gedachten moesten in de luisteraars het gevoel van eensgezindheid opwekken.
De Westfriese ‘kamers’ deden ook wel aan voordrachtskunst, maar waren in de eerste plaats
door veel gevoel gedreven uitvoerders van emotionele (en komische) stukken.
Aurora speelde in 1881 het populaire Janus Tulp van Justus van Maurik en in 1899 De voddenraper van
Parijs, een stuk vol akeligheden en braafheid. In het seizoen 1906-1907 voerde Aurora vijf stukken
elk twee keer op.
De Eendragt in Hauwert begon met het nationalistische Joan Woutersz van H.J. Schimmel, volgens zeer
oude traditie gevolgd door een ‘naspel’. Er was een aparte voorstelling voor minvermogenden
en dienstbaren (= personeel).
Standsverschil moest er blijkbaar zijn want tijdens de repetities werd ‘de werkende leden een
kop koffie of chocola verstrekt en mocht het bestuur niet meer dan een fles wijn op kosten van de
vereniging nuttigen’.
Na de Tweede Wereldoorlog gaf De Eendragt tientallen voorstellingen van de succesvolle, in het
Westfries geschreven, stukken van de Hauwerter Jan Koster zoals Zoin Offer, 't Is ienmaal wel en 'k
Hew voor 't eerst weer de leeuwerik hoord. Ook bewerkte hij de roman ‘..... tot in den dood’
van Jannetje Visser-Roosendaal uit Venhuizen tot een toneelstuk, waarin hij zelf de hoofdrol van Zeger
Davidson voor zijn rekening nam. Davidson was een oranjegezinde veeboer en -handelaar uit Tersluis,
een buurtschap bij Venhuizen, die in 1799 werd gefusilleerd.
Onder leiding van Willem Saal zong het Wognums zangkoor ‘Jacob Kwast’ in 1902 voor duizenden
mensen in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam. Het succes was enorm. Bij aankomst op het station
in Wognum werden de 37 koorleden en hun dirigent opgewacht door het Twisker fanfare corps dat hen in
optocht naar de versierde zaal van café De Vier Heemskinderen bracht.
Tussen 1889 en 1917 traden de Wognummers, zoals het zangkoor Jacob Kwast meestal genoemd werd, honderden
keren op, in het seizoen 1910-1911 niet minder dan 85 keer. Niet alleen in heel Nederland, maar ook in
Londen, Berlijn, Bern, Zürich.
AFBEELDING(EN) NOG NIET BESCHIKBAAR =
Linksboven: Foto van de gemengde zangvereniging ‘Euphonia’ uit Schagen uit 1920. (N. Dekker-Loer,
Schagen)
Rechtsboven: ‘Wognum zingt’ is een begrip in West-Friesland. Een van de zangkoren uit Wognum
was Zanglust, later ‘Jacob Kwast’ geheten, vernoemd naar de legendarische bovenmeester
(1784-1866), die groot belang hechtte aan het zangonderwijs. Het was overigens een dure hobby; de
contributie van de zangvereniging bedroeg 10 cent per week. Wel kreeg men bij de repetitie tweemaal
een kop chocolademelk. De muzikale leiding van het koor was in handen van Willem Saal Dzn. Saal hield
de wind eronder. Wie te laat op repetitie kwam, moest 2,5 cent betalen; roken was verboden en
veiligheidshalve ook schaatsen een paar dagen voor een uitvoering.
Onder: Zangeres Jo Immink uit Obdam, geschilderd door Huib Luns in 1930. (WFM)