Archivering » Ach Lieve Tijd » Deel 15: Westfriezen en hun culturele leven » pagina 348
Pas tegen het einde van de zeventiende eeuw kreeg ook de schrijftaal een min of meer vaste vorm.
Dialecten – tegenwoordig noemt men ze liever streektalen – bleven als gesproken taal
bestaan. Als een Westfriese dialectspreker iets opschreef, dan deed hij dat in de op school geleerde,
algemene schrijftaal. Westfries is een verzamelnaam, want binnen de Omringdijk komen veel varianten
voor, voornamelijk wat de woordenschat en de uitspraak betreft.
Het Westfries toont veel overeenkomsten met andere streektalen boven 't IJ, zoals het Zaans en het
Waterlands. Dat geldt ook voor andere vormen van cultuur, bijvoorbeeld de volksdans en de streekkleding.
Het eigene van de Westfriese cultuur uit zich voornamelijk in nuances. Ook in de cultuur binnen de
Westfriese Omringdijk vallen verschillen waar te nemen, niet alleen naar plaats, maar ook naar tijd:
de Westfriese kap bijvoorbeeld, de hoofdtooi van de meer gegoede Westfriese vrouw, kent een geschiedenis
van een paar honderd jaar, waarin de vorm van de kap, in samenhang met de heersende modes, langzaam
veranderde.
Veel cultuur is navolging. In de zestiende eeuw ondergingen steden als Hoorn en Enkhuizen de invloed
van de grote Hollandse steden, vooral Amsterdam. De Westfriezen verwerkten die invloed op hun eigen
manier, zoals te zien is, volgens kenners, in bijvoorbeeld zilversmeedkunst, schilderkunst, houtsnijwerk,
orgelbouw en bouwkunst.
Ook de klederdracht van de Westfriezen was onderhevig aan invloeden uit de Hollandse steden. Zo
droegen de mannen halverwege de negentiende eeuw al ‘gewone kleding’ en volgden de vrouwen
de stadse mode destijds op een afstand. Ze maakten hun jurken zo, dat ze sterk leken op de jurken van
de modieuze vrouwen uit de grote stad.
Vrouwen uit welgestelde families droegen vanaf het einde van de achttiende eeuw gouden oorijzers, die
op den duur steeds grotere versieringen kregen, de zogenaamde boeken. Deze uiteinden van de oorijzers
die ter hoogte van de ogen van de draagster zaten, waren omstreeks 1850 soms wel vijf bij acht centimeter
groot. Ook de bijbehorende kappen veranderden van vorm in de loop der eeuwen. Omstreeks 1900 waren ze
echter niet meer populair. De meeste vrouwen verkozen toen een moderner hoedje.
Na 1940 was het in West-Friesland vrijwel gedaan met de streekdracht. De fraaie jurken en kostuums
worden tegenwoordig alleen nog maar uit de kast gehaald voor speciale gelegenheden zoals de Westfriezendag,
de jaarlijkse bijeenkomst van het Westfries Genootschap en bij de optredens van de diverse Westfriese
dansgroepen.
Wanneer in de negentiende eeuw steeds meer mensen aan het culturele leven gaan deelnemen, blijken de
Westfriezen in het algemeen een voorkeur te hebben voor gezellige, dat wil zeggen in gezelschap beoefende
vaardigheden en kunsten: het zingen van (volks)liedjes, toneelspelen, harmonie, fanfare, koorzang.
AFBEELDING(EN) NOG NIET BESCHIKBAAR = Rechtsboven: In de 16de eeuw kwam in West-Friesland een nieuw mutsje in de mode. Om dit op het hoofd vast te houden, werd aan de binnenzijde een ijzeren beugel aangebracht. Deze klem liep van de ene wang over het oor naar het achterhoofd en over het andere oor naar de andere wang. Spoedig na de introductie van de beugel werd aan de uiteinden een versiering aangebracht. Zo ontstond het oorijzer, dat uitgroeide tot een echt sieraad. Edelmetalen als goud en zilver werden gebruikt; het ijzer werd steeds breder; de versieringen aan de uiteinden steeds rijker. Het hier afgebeelde gouden oorijzer stamt uit het begin van de 19de eeuw. (ZZM)