Archivering » Ach Lieve Tijd » Deel 14: Westfriezen en hun scheepvaart » pagina 338
In de vrijgekomen gebouwen werd in 1828 het Koninklijk Instituut voor de Marine gevestigd. In de Franse tijd was deze instelling ook al in het vroegere VOC-complex te Enkhuizen gehuisvest geweest. Vanaf 1829 was het instituut voor Medemblik een economische factor van belang. Lang heeft de stad er echter niet van kunnen profiteren. Al spoedig klaagde het personeel over de ongezonde lucht. Verschillende delen van Noord-Holland hadden inderdaad ernstig te lijden van een bepaalde vorm van malaria, de zogenaamde derdedaagse koorts. De moerassige bodem, de lage ligging en de vochtige luchtgesteldheid werden wel als oorzaken genoemd. De plaatselijke bevolking was min of meer immuun voor de ziekte, maar dat was niet het geval met mensen die uit andere streken naar Medemblik kwamen. Het instituut werd als proef in 1849 met de KMA te Breda verenigd, maar enkele jaren later definitief naar Den Helder overgeplaatst.
Eind 1700 werd het aantal Enkhuizer haringbuizen steeds kleiner, in 1795 was het als gevolg van de
politieke omstandigheden met de haringvisserij helemaal gedaan. Nadat de Fransen ons land definitief
hadden verlaten wilde het met het herstel niet vlotten. Het aantal Enkhuizer haringbuizen bedroeg toen
nooit meer dan tien.
Aan het eind van de negentiende eeuw vond er een heroriëntatie van de Enkhuizer visserij plaats.
Omdat de vis zich van de Noordzeekusten terugtrok gingen de Enkhuizer vissers zich meer op de Zuiderzee
richten. Voor de afsluiting van de Zuiderzee waren haring, ansjovis en bot het belangrijkst.
AFBEELDING(EN) NOG NIET BESCHIKBAAR =
Rechtsboven: Foto van de scheepshelling van de gebroeders K. en D. Bruin in Sint Pancras. Op de helling
werden houten schepen hersteld. Door te breeuwen of te kalefateren konden de schepen weer waterdicht
worden gemaakt. Men stopte in de scheuren uitgeplozen touwen en smeerde de boten vervolgens in met pek
of teer. (HVSP)
Onder: Foto van het kanaal bij Kolhorn. Op de achtergrond hangen de netten te drogen, waarmee de schippers
uit het dorp op ansjovis visten. (A. Wit, Nieuwe Niedorp)