Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » Ach Lieve Tijd » Deel 11: Westfriezen en hun vertier en vermaak » pagina 253

Twintig eeuwen West-Friesland, de Westfriezen en hun vertier en vermaak

Omdat kersttijd smultijd was, zongen Hoornse kinderen omstreeks 1850:

Kerstavondje!
Dan krijgen wij volop!
Dan slacht mijn vader een pekelharing
En dan krijg ik de kop.

Naar de bliksem lopen

Sint-Maarten, Sinterklaas en Kerstmis passen in de traditie van jaarlijkse feesten. Vele daarvan zijn verdwenen, zoals het nieuwjaarwensen om geld. Al in 1450 werd het de helpers van de schout te Hoorn verboden langs de huizen te gaan om hun nieuwjaarswens te zeggen, omdat zij al te brutaal op geld uit waren. Daarvan getuigt ook deze wens uit 1621:

Ik wens je veel zegen in het nieuwe jaar
M'n hand staat steeds klaar
M'n zak staat open
Als je niets geeft, kun je naar de bliksem lopen.

Tot na 1900 was het op de Westfriese dorpen gebruikelijk dat jongens en meisjes op nieuwjaarsdag rond gingen met het zeggen van nieuwjaarswensen, waarbij ze aan 't eind meestal ‘pittug wat oploupen hadden’. Eveneens verdwenen is Driekoningen, dat nog omstreeks 1850 overal op 6 januari als huiselijk feest werd gevierd. Jarenlang was het ook de gewoonte dat de meiden en de knechten op die dag aan tafel mochten zitten en mee-eten van het driekoningenbrood, waarin een boon was gebakken. Wie de boon had, werd tot koning verheven en droeg de gehele avond een papieren kroon.
Veel en veel eerder al was er een einde gekomen aan het carnavalsfeest. Kort na de overgang naar de Hervorming in 1572 waren er omstreeks 1600 in West-Friesland nog grootse festiviteiten op vastenavond en de dagen daaraan voorafgaand. Potsierlijk verkleed trokken zangers door de straten met als begeleiding de muziek van de rommelpot. Dat was een over een pot gespannen nat gemaakte varkensblaas, waarin met een stok een zoemend geluid gemaakt werd.


Met nieuwjaar, met het paasfeest en ter gelegenheid van Kerstmis schreven kinderen van oudsher fraai versierde felicitaties aan hun ouders en andere familieleden. Ze kregen daarvoor dan een kleinigheid voor hun spaarpot. Jantje Jans Lieven schreef deze paasbrief in 1809. Waar deze jonge Westfries woonde, is niet bekend. (WFM)

De gereformeerde stads- en dorpsbesturen probeerden echter uit alle macht dit soort festiviteiten als herinnering aan het rooms-katholieke geloof uit te bannen. Volksfeesten stonden ze niet toe. Wimpels, vlaggen of vaandels moesten binnenshuis blijven. Herbergiers mochten geen bier schenken. Geschminkt, vermomd, omhangen met bellen, of zingend rondgaan met rommelpotten of andere instrumenten werd verboden. En de Hoornse leprozen uit het Sint-Lazarushuis op de hoek van het Keern moesten het na 1621 niet wagen ‘enig vastenavondspel met bommen, trommen, poppen en dergelijke ydelheden’ te plegen.
Langzamerhand raakte door dit soort verboden het carnavalsfeest hier in onbruik. Het taboe dat er eeuwen op rustte, verdween na 1945. Sinds 1974 organiseert Het Masker uit Zwaag elk jaar een carnavalsoptocht die is uitgegroeid tot de grootste in noordelijk Nederland.

‘Sint Pieteren’

Omstreeks 1900 haalden jeugdige Westfriezen nog vol overgave brandstof op voor de vuren die ze op Sint-Pietersdag (22 februari) stookten en waar de jongens omheen dansten. Volgens de overlevering begon op deze dag de grond te werken.
Sint-Pietersdag was ook een belangrijke dag in de wetgeving van de voormalige kleine Westfriese steden. In Sijbekarspel moest men elke zaterdag stro op de weg leggen om die begaanbaar te houden tussen Allerheiligen (1 november) en Sint-Pieter. In de stede Grootebroek moest de schouw van sloten en vaarten na Sint-Pieter gebeuren. Dan waren ze over het algemeen ijsvrij. En in Aartswoud mocht men na Sint-Pieter geen ganzen meer buiten houden, omdat dan het gras begon uit te lopen.
In Zuid-Scharwoude had ‘Sint-Pieteren’ omstreeks 1873 een geheel eigen betekenis. De uitdrukking betekende dat men de kermis aldaar, die toen rond 1 augustus werd gehouden, ging bezoeken. Op die dag vierde men het feest dat de heilige Petrus zich van zijn banden had weten te bevrijden. In verband met de oogstwerkzaamheden is de kermisdatum later verplaatst naar de derde zondag in september.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.